Genealogie Familie Kroeze uit Kampen

over 25 generaties (in ontwikkeling)

Hoofdstuk 'de 14e eeuw'

 

Inleiding

 

 

 

De familie Kroeze woonde van oudsher in Kampen. In de loop der jaren is deze familie langzamerhand verspreid over alle windstreken.

 

 

Er bevinden zich inmiddels leden van deze familie verspreid over heel Nederland, maar ook in Amerika, Canada en Zuid Afrika.

 

 

Onderstaande beschrijving biedt een redelijk beknopte geschiedenis van deze familie.

Deze geschiedenis zal nog regelmatig verder worden uitgebreid.

 

 

De gegevens waarover ik beschik zijn natuurlijk veel uitgebreider dan onderstaand zijn weergegeven. Mocht u meer willen weten neemt u dan gerust contact met mij op.

 

 

bart.kroeze@ziggo.nl

 

 

Door naar de 15e en 16e eeuw

 

 

 

 

 

 

Foto 1:

Broederpoort

te Kampen 

De gegevens waarop deze familiegeschie-denis is gebaseerd werden uit verschillende bronnen verzameld. Zeer in het bijzonder moeten hier worden vermeld:

  • de inmiddels overleden neef van mijn vader uit Zwolle, Barend Herm Jan Johannes Kroeze en
  • de ook al overleden Johannes Bernardus de Lange uit Bussum

Beide hebben ontstellend veel werk verricht bij het ontrafelen van de geschiedenis van de familie Kroeze.

 

In een later stadium zijn ook de contacten met Maas Stolk van grote waarde gebleken en dan met name voor het gedeelte dat te maken heeft met de afstamming door onze familie van de familie Van Twickelo.

 

Het begin van de familiegeschiedenis voert ons terug tot halverwege de veertiende eeuw, waar we een zekere Maas Kruse aantreffen die voorlopig wel als stamvader van onze familie mag worden beschouwd.

 

Zeker in die periode blijven data vaak nogal vaag. Dat wekt overigens geen verwondering als we ons realiseren dat we spreken over een tijdvak waarin nog slechts heel weinig zaken schriftelijk werden vastgelegd.

 

Zouden onze voorouders in die periode niet een zekere rol van maatschappelijke bete-kenis hebben gespeeld, dan zou over hen zelfs in het geheel geen schriftelijke informatie zijn teruggevonden.

Zeker is wel dat het ongelooflijk interessant is te grasduinen in de geschiedenis van je voorgeslacht. Hierbij kwamen de woorden van een vroegere geschiedenisleraar regel-matig bij me op. Wanneer hij ons leerlingen probeerde te overtuigen van het belang van het vak geschiedenis riep hij met enige regelmaat: "als je niet weet waar je vandaan komt, dan heb je al helemaal geen idee waar je naar toe gaat". Daar­naast heb ik bij het grasduinen in deze geschiedenis veel opge-stoken over de zeer boeiende geschiedenis van het stadje Kampen. Immers wanneer een familie sinds de helft van de veertiende eeuw in dezelfde plaats woont, ontstaat er onte-genzeglijk een sterke band tussen familie en stad. Ook is wel gebleken dat diegenen die de stad toch verlaten hebben, vaak een veel diepere interesse hebben voor haar geschiedenis dan degenen die er gebleven zijn. Ik moet eerlijk bekennen dat ook bij mij die interesse pas is ontstaan nadat ik de stad Kampen de rug had toegekeerd. Hoewel ik me ook realiseer dat je eigenlijk je hele leven een Kampenaar blijft. Onderstaand een prachtige weergave van het wapen van de Stad Kampen

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderstaand de gegevens tot 1580

 

Voor de gegevens vanaf 1580 klik hier

 

 

 

 

 

 

wapen kruse.jpg

 

Wapen van de

familie Kruse

 

Verwarring over een naam?

 

Heten we nu eigenlijk Kroeze (Kruse)

of

Van Twickelo?

of eigenlijk

Kruse van Twickelo

 

Hoewel ik na verloop van tijd heb kunnen vaststellen dat er eigenlijk een groot misverstand bestaat m.b.t. de naam Kroeze, begin ik mijn verhaal dadelijk toch maar met een Kroeze, of beter gezegd een Kruse.

 

Hoe zit het dan eigenlijk met dat misverstand? De Kroezes van nu heten feitelijk geen Kroeze, maar zouden officieel de naam Van Twickelo moeten dragen, of zoals één van onze voorouders eigenlijk wilde en ook had geregeld: Kruse van Twickelo.

 

Hoe dit alles precies in elkaar zit, daar kom ik in een later stadium nog op terug. Wilt u er meer van weten, leest u dan verder.

 

Wapen van de familie

Van Twickelo

 

 

Overzicht 20 generaties van

de familie

Kroeze (stand augustus 2009; nog in

bewerking)

 

In het begin zijn de gegevens nog wat minder nauwkeurig; nader onderzoek hiernaar moet nog plaatsvinden

 

Als eerste treffen we van de familie Kroeze aan een zekere Ghert Kruse die in 1311 werd ingeschreven in het Burgerboek van Kampen. Een precieze datum van zijn geboorte is niet bekend. Veel meer is er overigens verder ook niet van hem bekend.

 

 

Onderstaand het wapen van de Kruse’s zoals dat werd gebruikt op hun zegels.

Links het origineel; rechts het origineel met enkele hulplijnen iets verduidelijkt.

Het gaat om een halfuitkomende klauwende wolf met een schild met daarop drie haken

 

 

 

 

Uit gegevens van Klaas Schilder (Kamper Almenak 1993) blijkt dat twee broers: Herman en Maas (Thomas) Kruse, zonen van een zekere Ghert Kruse zich in het begin van de 15e eeuw in Kampen hebben gevestigd en daar in respectievelijk 1418 en 1432 burger werden.

Deze broers stamden ongetwijfeld uit een toen al aanzienlijk geslacht.

 

 

Dit blijkt niet alleen uit Steven van Rhemens opmerking (17e eeuwse bron) dat een Maas (Thomas) Kruse in 1390 kastelein of burggraaf van het bisschoppelijke Slot Ter Horst was, maar vooral uit de maatschappelijke posities van Hermans nakomelingen, Deze bekleedden functies die niet aan telgen uit pas opgeklommen koopliedenfamilies werden gegeven, zoals die van kastelein (burggraaf) van Kuinre, kastelein (burggraaf), schout en rentmeester van Vollenhove en rentmeester van Salland.

Functies als die van kastelein (burggraaf) van een der bisschoppelijke sloten werden gewoonlijk gegeven aan riddermatige personen. Dit gold zonder uitzondering de functies van ambtman (drost) of rentmeester van een der Overijsselse kwartieren.

 

 

Dat de Kruse's van adel waren of, wat hetzelfde was, door hun standsgenoten als adel werden beschouwd, staat buiten kijf. Ook toen de takken die bewijsbaar riddermatig waren, waren uitgestorven en alleen de nakomelingen van burgemeester Lodewijk Kruse het geslacht voortzetten, werd er aan de status van de familie niet getwijfeld. Dat deze laatste Kruse's in de akten met titels als jonker en joffer voorkomen, zegt niet alles, want ook niet-adellijke rijke dames noemde men dikwijls joffer, maar dat zij trouwden met leden van de families Sloet, Van Twickelo, Van Averenck, Witte en Van Rhemen zegt eigen-lijk genoeg

 

 

 

Afbeelding 1: Het Slot ter Horst ten Oosten van Rhenen.

 

In de middeleeuwen was Rhenen met het bisschoppelijk slot Ter Horst in Achterberg de meest vooruitgeschoven sterkte in de zuidoosthoek van het bisdom. Het was het belangrijkste steunpunt in de Stichtse strijd tegen de graven, later hertogen, van Gelre. Na de centralisatie van het landsbestuur door keizer Karel V bleef het lange tijd een slapend garnizoensstadje, maar als een van de vijf steden van het Sticht speelde het een actieve rol in het bestuur van het gewest. Mogelijk is dit het slot waar het hier over gaat

 

 

Het Kasteel Ter Horst

 

Kasteel Ter Horst stond in Achterberg aan de westelijke zijde van de Cuneraweg, aan de voet van de Grebbeberg, nabij Rhenen. Het kasteel werd gebouwd door Bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178). Het kasteel dankte zijn naam aan een horst (= hoogte), die zich vroeger op de plaats van dit kasteel bevond. 

 

]


Utrecht
bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178) penning
Vervaardiger: Anoniem Utrechts Vervaardigingsdatum: 1156; 1178
Soort object: munt
Formaat: diameter: 15 mm; gewicht: 0.51 gr
Trefwoorden: financiewezen (Utrecht) 
Identificatie: 4076
Aanbieder: Centraal Museum
Materiaal: zilver, geslagen
Locatie: Utrecht
Provincie: Utrecht
 

 

Bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178) was de bouwer van kasteel Ter Horst. Ter plekke bevond zich al een sterkte, een castrum, dat door de vader van Godfried in de eerste helft van de 12de eeuw was gebouwd. Het bestond waarschijnlijk uit een gracht met palissade, waarbinnen een huis heeft gestaan. Die houten versterking werd in 1163 waarschijnlijk in een strijd met Gelre verbrand, waarna de bisschop een nieuwe hoofdburcht in steen liet optrekken.

Ter Horst werd een plaats van betekenis; het diende als gevangenis, bestuurscentrum en militaire veste. De Utrechtse bisschoppen benoemden een aantal maarschalken die namens hen een gebied bestuurden. De maarschalk voor het oostelijk deel van het Sticht werd gestationeerd op het kasteel Ter Horst.

De vaste bezetting van het kasteel bestond uit 'borchluden', die volgens Muller naar analogie met Goor en de Nyenborch een soort corporatie vormden. Het is aannemelijk dat de borchlenen die uitgegeven werden als beloning voor de krijgsdienst dienden. Zo zouden ook de Dijkershuizen op de Dijk in Achterberg, die in 1699 door de Staten van Utrecht met andere goederen van Ter Horst werden verkocht, bewoond zijn geweest door soldaten van Ter Horst.

In 1277 kwam de elect-bisschop Jan van Nassau dermate in de schulden te zitten, dat hij genoodzaakt was Ter Horst te verpanden aan zijn zwager Jan van Cuyck. Deze droeg Ter Horst op aan graaf Floris V van Holland, die zo het Utrechtse bisdom nog steviger in zijn greep kreeg.

Bisschop Guy (of Gwijde) van Avesnes schonk in 1315 aan de borchluden zes hoeven weiland en zes hoeven turfland, waardoor een nieuwe kleine mark ontstond. In de oorkonde worden zowel de borchluden als de keuters en de 'amerlude' genoemd. De laatste groep bestond kennelijk uit de kamerdienaars die het kasteel bewoonden en de bisschop moesten dienen tijdens zijn verblijf. Uit oorkonden van 1468 en 1474 blijkt dat deze mark zich tot een soort gerecht ontwikkeld had: het passeerde transporten van de borchlenen van Ter Horst.

In 1325 ging Ter Horst over in handen van Zweder van Abcoude, die als heer van Duurstede en Abcoude al een belangrijke rol in het Sticht speelde. Bisschop Jan van Arkel stichtte in 1347 een kapittel in de kapel van Ter Horst. Vastgelegd werd dat de priesters die door de bisschop benoemd werden ook het slot moesten verdedigen in tijden van nood.

Bisschop Jan van Virneburg kreeg in 1368 tijdens een proces het verwijt te horen, dat hij slot Ter Horst aan Gijsbert van Vianen had verpand. In 1429 werd Ter Horst met geweld aan de greep van de Gelderse hertog Arnold ontworsteld. Een eeuw later viel Ter Horst opnieuw in handen van Gelre, toen de aanvoerder van de bezettingsmacht, Ernst van Amerongen, de tegenstand als zinloos opgaf en bij nacht verdween. In 1528 begon men met de afbraak van het kasteel. Een deel van het materiaal werd gebruikt voor de bouw van kasteel Vredenburg in Utrecht.

 

De enige afbeelding die er van Ter Horst bestaat, dateert uit de 18e eeuw. Omdat de afbraak al in 1528 begon, is deze weinig betrouwbaar. In 1942 werd het terrein van het voormalig kasteel Ter Horst geëgaliseerd. Bij de opgraving die voor de egalisering plaats vond, werden delen van een twaalfhoekige ringmuur opgegraven, die een gebied omsloot van 42 x 58 m. Deze muur was opgetrokken uit vrij kleine rode baksteen van 27 cm lengte. In het midden van dit ommuurde terrein werd veel tufgruis aangetroffen, waarschijnlijk de overblijfselen van de grote toren. Van dat gebouw stond echter niets meer overeind. Dit is niet verwonderlijk, omdat nog rond 1700 voor een kapitaal aan tufsteen uit de torenruïne was opgedolven. Dat de toren niet direct aan de gracht grensde, blijkt ook uit de aanwezigheid van afvoerkanalen onder de grond.

De veelhoekige ringmuur bleek nog geen meter dik te zijn geweest en niet gefungeerd te hebben als eerste schildmuur rondom de toren. Dichterbij de toren heeft een tweede ringmuur gestaan die ongeveer 40 x 45 m mat. Deze was opgetrokken uit baksteen van een iets groter formaat, 29 cm lengte. In het zuidelijk deel van dit omsloten gebied werd een waterput aangetroffen. In het moerassige gebied waarin Ter Horst was gesitueerd, was het kasteelterrein ongetwijfeld opgehoogd en hebben deze ringmuren als kademuren gefungeerd. Ter Horst vertoonde zich waarschijnlijk als een royale aanleg; naast of in de toren was er nog plaats voor een zaal.

Uit een rekening uit 1428 blijkt dat er ook een bouwhuis (boerderij) en een hoenderhok waren opgetrokken. Volgens die rekening moest er het een en ander opgeknapt worden aan de toren, de schoorsteen en de kamer van de heer, terwijl er ook schoongemaakt moest worden. Vermaak was er ook, want de rekeningen vermelden een kaatsbaan. Ter Horst was door een singel en een buitengracht omgeven en had twee bruggen; één van 'buiten' naar de voorburcht en één van de voorburcht naar de hoofdburcht. Op de voorburcht stonden een hofstede en een kapel. 

Bewoners:

·        1163 - 1178 Bisschop Godfried van Rhenen

·        1277 Elect-bisschop Jan van Nassau

·        1277 Jan van Cuyck

·        ca 1315 Bisschop Guy van Avesnes

·        1325 Zweder van Abcoude

·        ca 1368 Gijsbert van Vianen 

Het kasteelterrein is nu weiland. Jammer genoeg is de oorspronkelijke hoogte waarop het kasteel gestaan heeft, niet meer herkenbaar in het landschap. De funderingen zijn nog wel ondergronds aanwezig.

 

 

 

I NN [Maas ?] Kruse. (1)

 

Kinderen:

 

1 Herman (2), volgt II.

2 Maas (Thomas) (3). Hij en zijn zoon Peter werden in 1432 burgers van Kampen.

Trouwt met Jutte van Schelle, dochter van

Jacob van Schelle en Jutte NN.

 

Jutte van Schelle, vrouw van Maes Kruse, verkocht 06.05.1424 een jaarlijkse rente van drie oude franse schilden uit een where en uit een huis in Brunnepe, haar aangekomen van haar vader Jacob van Schelle en Jutte zijn vrouw. De akte werd door Maes en Jutte bezegeld'.

 

Thomas Kruse bezat huizen e.d. in Kampen. Bij de verkoop van een hof in de Groenestraat stelden [zijn neven] Maas en Lodewijk Kruse zich voor hem tot borgen. In het jaar 1468 werd Thomas Kruse aangenomen als provenier achter in de Heilige Geest; hij beloofde 3½  koegang in het gasthuis in te brengen. Lodewijk Kruse beloofde om na de dood van zijn oom Thomas voornoemd deze koegangen van het gasthuis over te nemen voor 35 rijnse guldens. Met zijn musse (dienstmaagd) Mijt ging Thomas volgens een 15e  eeuwse aantekening om als een overspelig man.

 

Kind:

a Peter (4), die samen met zijn vader Thomas in 1432 burger van Kampen werd.

 

 

 

 

 

 

Herman Kruse, gehuwd met Wobbeken [van Ens ?], was een welgesteld  man die in de stad waar hij in 1418 burger van werd enkele belangrijke functies heeft bekleed, zoals het lidmaatschap van de Gezworen Gemeente en het kerkmeesterschap van de Sint-Nicolaaskerk. Toen hij omstreeks 1440 stierf liet hij een weduwe, dochter Alijt en de zonen Evert, Maas en Lodewijk na. Het plaatje zou er waarschijnlijk ongeveer als volgt moeten uitzien.

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 2: De overblijfselen van het Kasteel Ter Horst.

 

Kasteel Ter Horst stond in Achterberg aan de westelijke zijde van de Cuneraweg, aan de voet van de Grebbeberg, nabij Rhenen. Het kasteel werd gebouwd door Bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178). Het kasteel dankte zijn naam aan een horst (= hoogte), die zich vroeger op de plaats van dit kasteel bevond.

 

 

(1) 1.

Maas KRUSE - 1

                                      

Geboorte - datum:

ca. 1360

Geboorte - plaats:

Kampen

Doop - plaats:

Kampen

Overlijden - - plaats:

Kampen

 

Begrafenis - - plaats:

Kampen

 

 

Kinderen:

Herman - 2

 

 

 

Foto 2:

Cellesbroeder-poort

te Kampen

 

De gegevens worden nauwkeuriger als we terecht komen bij Maas Kruse die vermoedelijk werd geboren rond 1360. Van hem is bekend dat hij in 1390 kastelein was van het Huis Ter Horst.

Over het Huis ter Horst hebben we het al eerder gehad. Opvallend is echter wel dat de wijk rond de rond de Bovenkerk vroeger ook wel Horstespel werd genoemd (ook wel genoemd Overespel of Bovenespel).

 

Zou er een verband hebben bestaan? Over de naam Horstespel lopen de meningen overigens nogal uiteen. Ook de wijk tussen de Geestraat en de Sint Jacobsstraat wordt wel aangeduid als Horstespel.

 

De stad Kampen was in die tijd overigens verdeeld in vier wijken of espels. Het overe­spel, andere espel, derde espel en uiterste espel. Later komen daarbij de Hagen en Brunnepe.

 

Tijdens het leven van Maas Kruse speelden zich in het stadje Kampen een aantal ontwikkelingen af.

 

Ridder Zweder van Voorst had bij Zwolle een kas­teel, "het sterk­ste in 't ganse sticht van Utert". De muren van dit kasteel waren 12 voet dik en 80 voet hoog. Ridder Zweder had voortdu­rend ruzie met de bisschop van Ut­recht, Jan van Arkel.

In 1360 bereikte de strijd een hoogtepunt. Zweder overviel een voorstad van Zwolle. Kort daarop vond een belegering plaats van zijn kasteel (Zweder was toen al gevangen genomen.

 

In 1362 wordt het beleg van het Kasteel Voorst bij Zwolle van Ridder Zweder voortgezet, gesteund door gewapende burgers uit Deventer, Zwolle en Kampen. Het beleg duurde 15 weken. Uiteindelijk volgde na onderhan­deling overgave. Het slot werd volledig verwoest. De Kampenaren namen een ijzeren poort mee. Hiermee werd de toegang afgesloten van de schepenzaal naar het schepen­torentje waarin de belangrijkste archiefstukken werden bewaard. Hierdoor werden zij bij de brand van 1543 ge­spaard. Hierdoor zijn ook gegevens over de familie Kroeze nog terug te vinden. Als beloning kreeg Kampen een aantal eilanden voor de IJssel­mond (o.a. het Kamperei­land; later voor Kampen een behoor­lijke bron van inkomsten met zijn 100 boerderijen).

 

In 1368 overleed een zekere Diederik van Campen in Skanör (Schonen). De Ommeland-vaart was toen in volle bloei.

 

In 1373 had Kampen opnieuw ruzie, nu met de heer Herbern van Putten wiens stamslot bij Elburg lag, maar die bij Kamperveen op de grens van het Oversticht en Gelre een sterk kasteel, Puttenstein genaamd, had gebouwd.

Terug naar boven

 

Foto 3:

Koornmarkt-

poort

te Kampen

 

 

(2) 1.1

Herman KRUSE - 2 

Geboorte - datum:

ca. 1390

Geboorte - plaats:

Kampen

Doop - datum:

1390

Doop - plaats:

Kampen

Overlijden - - datum:

1441

Overlijden - - plaats:

Kampen

Begrafenis - - datum:

1441

Begrafenis - - plaats:

Kampen

Huwelijk - plaats:

Kampen

 

 

Echtgenoot:

Wobbeken – 3

Geboorte - plaats:

Kampen

Doop - plaats:

Kampen

Overlijden - - datum:

1463

Overlijden - - plaats:

Kampen

Begrafenis - - datum:

1463

Begrafenis - - plaats:

Kampen

 

 

Kinderen:

Alijt – 4 – geb rond 1415

Evert – 5 – geb rond 1417

Alijt – 6 – geb rond 1419

Lodewijk – 7 – geb rond 1421

Maas – 8 – geb rond 1425

 

 

Van Maas Kruse is in ieder geval één zoon bekend namelijk Herman die geboren werd rond 1390. Herman Kruse trouwde met een zekere Wobbeken, waarvan de achternaam onbekend is gebleven. Herman vervulde tijdens zijn leven enkele openbare functies.

v  In 1426 was hij kerkmeester van de St. Nicolaaskerk.

v Daarnaast was hij van ca. 1436 tot ca. 1441 lid van de Gezworen Gemeente en Gemeensman van het Horstespel.

 

 

II Herman Kruse (2) werd op 18-06-1418 ingeschreven als burger van Kampen,

Kerkmeester van de Sint-Nicolaaskerk in Kampen 1426, vermeld als lid van de Gezworen Gemeente aldaar ca. 1436-ca. 1440, keurnoot van de schout van IJsselmuiden 30-05-1440, overleden (waarschijnlijk) 20-08-1440. Trouwt met Wobbeken [van Ens ?], die nog als zijn weduwe voorkomt op 07-01-1463. Haar erfgenamen worden genoend in een akte van 30-12-1483.

 

Kinderen (volgorde volgens een lijfrentebrief uit 1428): (wat een lijfrente was wordt onderstaande uitgelegd)

1.   Alijt (5). Slechts vermeld in een koopakte van de lijfrente (1428) en in een aantekening betreffende een betaling (in 1463) van deze rente.

2.   Evert (6), volgt IIIa

3.   Lodewijk (7), volgt  IIIb

4.   Maas (Thomas) (8), volgt IIIc

 

In 1421 voldeed Herman Cruse 200 Arnhemse guldens die Gelys van Nywekant aan de stad Kampen schuldig was. In 1425 leenden Huge Geye die olde en Herman Cruse aan de stad Kampen 100 Franse kronen.

Op Sint Scolasticendag 1428 verkocht de stad Kampen lijfrenten van 20 heren ponden per jaar aan Wobbeken, de vrouw van Herman Cruse en aan zijn kinderen Alijt, Evert, Lodewech (Lodewijk) en Maes (Maas / Thomas). Voorwaarde was dat Alijt Roevers de renten zou heffen. In 1468 waren de weduwe en de vier kinderen van Herman Kruse nog in leven; Alijt Roevers waarschijnlijk niet meer, want de renten werden toen aan de Kruse’s uitbetaald.

Herman Kruse wordt op 03-07-1438 genoemd als belender van een huis in de Morrenstee en in 15-10-1439 als belender van een huis Buiten de Venepoort. Zijn weduwe en erfgenamen treffen we aan in een twintigtal transportakten uit de periode 30-05-1441 tot 07-01-1463. Hieruit blijkt dat de familie huizen bezat in de Oudestraat, de Nieuwstraat, op de Burgwal en Achter de Nieuwe Muur. Hun huizen in de Oudestraat stonden nabij de Morrensteeg en nabij de Melissteeg (nu Burgwalstraat).

 

Door vroegere genealogen werd verondersteld dat Wobbeken een dochter kon zijn van van Evert van Ense; het is niet onmogelijk, want haar oudste zoon heette Evert. Dan is er verder nog een transportakte van 14-03-1442 waarin een Wobbeken van Ense met haar kinderen en de voogden Peter Lubbertsz [van Ense] en Evert Gisensz voorkomt. Het is mogelijk dat deze Wobbeken van Ense dezelfde is als Wobbeken Kruse; het zou dan wel de enige van een twintigtal vermeldingen zijn waarin zij niet met haar mans familienaam genoemd wordt. Een akte van 03-09-1454 geeft nog weer meer grond aan een Van Ense-afkomst, want Wobbekens zoon Evert verkoopt dan een huis in de Oudestraat waaruit Peter Lubbertsz [van Ense] ieder jaar 15 goudguldens rente trekt.

 

 

Wat is nu precies een lijfrente?

 

Een ‘lijfrente’ is een uit de middeleeuwen afkomstige en tot ver in de negentiende eeuw populaire manier om zich tot aan de dood van een bepaald individu van een vast inkomen te verzekeren. Daarbij leende de overheid, die geld nodig had, een bedrag van een individu, de lijfrentenier, en verplichtte zich daarbij om hem of haar een vaste rente te betalen tot aan de dood van een van te voren aan te geven persoon, die als ‘lijf’ fungeerde. Dat kon de lijfrentenier zelf zijn, maar ook een ander. In het Europa van de Middeleeuwen verbood de kerk het heffen van rente. De markt vond daarom de lijfrente uit. Een levenslange periodieke uitkering in ruil voor een bedrag ineens. Lijfrenten werden op grote schaal uitgeschreven door landen en steden. In 1425 kreeg dit financiële instrument de zegen van Paus Martinus V. Hij bepaalde dat een lijfrente geen lening is, omdat er geen verplichting bestaat de hoofdsom af te lossen. Wie een lijfrente neemt, ‘koopt’ deze en ‘leent’ niets, stelde hij vast.

Dit middeleeuwse gedoe heeft uiteindelijk geleid tot ons huidige, geavanceerde pensioenstelsel. Het fenomeen lijfrente deed Johan de Witt (juist ja die!) in 1671 een baanbrekend werk schrijven, waarin hij de relatie berekende tussen hoofdsom en uitkeringen, die hij overigens gewoon ‘renten’ noemde. De Witt legde zo de basis voor het actuarieel rekenen en daarmee ook voor onze met kapitaaldekking gefinancierde pensioenen.

 

 

Foto 4:

Orgel

Bovenkerk

te Kampen

 

 

Herman overleed in 1441. Zijn vrouw over-leefde hem nog ruim 20 jaar; zij overleed op 7 januari 1463.

 

Het is voor een duidelijk beeld van de situatie van belang hier iets te vertellen over hoe het Kamper Stadsbestuur er in de middeleeuwen uitzag.

 

Het stadsbestuur bestond in die tijd waar-schijnlijk uit 12 schepenen en 12 raden. Met het dagelijks bestuur werden burge-meesters belast.

 

Deze werden jaarlijks door de Raden uit de schepenen gekozen. Van volksinvloed was in die tijd eigenlijk geen sprake.

 

Het regerend lichaam, ook wel de Magistraat genoemd, werd door 12 leden van het uit 36 personen bestaande college van de Gezworen Gemeente gekozen.

Deze Gezworen Gemeente treffen we al in Kampen aan in de 14e eeuw. In het midden van de 15e eeuw is er zelfs sprake van "Borgemeister, schepe-nen en raet mit der gesworenen meente en mit der cleinre meente".

 

In de periode waarin Herman Kruse lid van de Gezworen Gemeente was reisde de Kamper Burgemeester Tideman Schuersack af naar Lübeck om heropname in het Hanzeverbond te vragen. Van een eerdere opname in dit verbond zijn geen gegevens bewaard gebleven, maar gezien het feit dat het ging om een verzoek om heropna­me zal Kampen eerder lid zijn geweest.

 

Een zoon van Herman, Evert, volgde hem in 1442 op in de Gezworen Gemeente en wel tot 1452. In deze periode werd besloten een brug over de IJssel te bouwen. Daarnaast wordt meer landinwaarts een nieuwe gracht gegraven.

 

 

Even iets meer over deze Evert Kruse:

 

Evert Kruse, op wiens leven de stad Kampen in 1428 een lijfrente verkocht, volgde zijn vader op als lid van de Gezworen Gemeente, een college dat enkele keren per jaar bijeenkwamen om aan de Raad voorstellen te doen en adviezen uit te brengen. Leden van dit college vertegenwoordigden de burgerij en werden espelsgewijze (per wijk) ingeschreven in de ledenregisters. Zii bleven in de regel voor hun leven, of totdat zij in de Raad werden gekozen, zitting houden.

 

Evert hield zitting tot 1455, in welk jaar hij door de landsheer, de postulaat Rudolf van Diepholt, werd benoemd tot kastelein van Kuinre. In 1466 benoemde dienst opvolger, bisschop David van Bourgondië, hem tot kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove, een functie die hij tot zijn dood (in of omstreeks 1469) heeft vervuld.

 

 

Evert Kruse kocht 26.03.1453 van [zijn oom?] Thomas Kruse de helft van een huis in de Ou-destraat en een hof in de Groenestraat. Samen met zijn vrouw Aeftien verkocht Evert 03.09.1454 een huis in de Oudestraat op de hoek van de Sint-Jacobsteeg. Uit dit huis trok Peter Lubbertsz [van Ense] een jaarlijkse rente van 15 goudguldens. Toen op 31.08.1455 Evert de van Thomas overge-nomen helft van het huis in de Oudestraat verkocht aan Alijt van den Vene, kon zijn vrouw Aefken niet bij de overdracht aanwezig zijn; zij had door de schout van Kuinre een akte laten opmaken waaruit bleek dat zij niet kon reizen en daarom schriftelijk toestemde in de verkoop. Ook Thomas, die mogelijk nog een vordering op Evert had, consenteerde.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Feodale Stelsel

Om wat meer inzicht te geven hoe zaken in die tijd gingen volgt onderstaand wat informatie over het Middeleeuwse Leenstelsel.

Leengoederen en belening waren elementen van het leenstelsel. Dit leen- of "feodale" stelsel heeft zich in West-Europa sedert de 6de eeuw ontwikkeld als een middel voor vorsten en andere machthebbers om strijdbare mannen aan zich te binden en zo hun eigen macht en aanzien te verhogen. Het feodale stelsel ontwikkelde zich binnen gemeenschappen, waarin weinig geld in omloop was en bestond onder meer daarin, dat land en daarop betrekking hebbende rechten werden gebruikt om dergelijke strijdbare personen te belonen. Deze kregen landerijen en rechten in gebruik, in "leen" en mochten de opbrengsten daarvan gebruiken voor hun levensonderhoud en vaak ook voor het onderhoud van hun bewapening.

De basis van de leenverhouding was van oorsprong de persoonlijke band tussen een machthebber, een "heer", en zijn "vazal". De vazal verplichtte zich tot trouw aan zijn heer en tot dienst, meestal militaire dienst, waar tegenover de heer bescherming stelde tegen agressie door andere machthebbers benevens het genoemde middel van bestaan.

Het ter beschikking stellen van leengoed had aanvankelijk een tijdelijk karakter maar op den duur groeide het bezit van leengoed uit tot een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen. In de 14de eeuw was dat erfelijk bezit van leengoed al sinds onheugelijke tijden gewoon. We kunnen het recht op een leengoed van die tijd zien als een zakelijk recht, als een vorm van bezit, dat onderworpen was aan bijzondere regels en vormen voor wat betreft vererving, verwerving en vervreemding, waar dan voor de bezitter nog een aantal bijzondere verplichtingen bijkwam.

Dit leenstelsel, dat gedurende de middeleeuwen en daarna tot aan de Franse Revolutie toe in grote delen van Europa tot de vormende elementen van de maatschappij behoorde, vervulde die rol ook in een groot gedeelte van de Nederlanden. In het bijzonder gold dat voor de landen, waarover de bisschop van Utrecht vóór 1528 wereldlijk gezag uitoefende, voor het Sticht Utrecht. Hij trad binnen dat Sticht niet alleen op als landsheer maar voor wat een groot aantal goederen betreft ook als leenheer.

In het algemeen ging het bij leengoederen om landerijen of hun opbrengst of een gedeelte van hun opbrengst, om tienden daaruit. Maar daarnaast vond er ook belening plaats met zaken als rechtspraak, bedragen in geld, rechten van gruit en tol, rechten op wind en "zwanenvlot" en het patronaatsrecht van kerken.

Sommige bisschoppelijke lenen hadden een bijzonder karakter, omdat hun bezitters een taak hadden bij de bewaking en verdediging van bisschoppelijke vestingen. In dat verband worden er "borglenen" van Goor, Coevorden, Schuilenburg, Vollenhove en zelfs van het in het Nedersticht gelegen Ter Horst genoemd. In Drenthe lag daarnaast een aantal "koddelenen", waarvan de naam waarschijnlijk verband hield met de bewapening van de betrokken leenman met een "kodde", een knots met ijzeren punten. Het bijzondere van borglenen was geweest, dat de leenman in of bij de betrokken burcht moest wonen, maar in de 16de eeuw onderscheidden borg- en koddelenen zich voor wat hun verplichtingen tegenover de leenheer aanging alleen in naam van de overige leengoederen. Lokaal, ten opzichte van hun omgeving, kwamen er aan sommige leenmannen wel bijzondere rechten toe, in het bijzonder aan die van Goor.  

 

 

Wat achtergrondinformatie over Kasteel Kuinre

Vele jaren geleden vonden vissers, die voor de kust van het oude vissersplaatsje Kuinre aan het vissen waren, af en toe stenen in hun netten. Zij beweerden dat die stenen van een oud kasteel moesten zijn. Vissers zijn er al lang niet meer in Kuinre, want het plaatsje ligt nu ver van het huidige IJsselmeer, omdat hier voor de Overijsselse kust de Noordoostpolder werd aangelegd. De polder viel droog in 1942 en daarmee was Kuinre voor goed afgesloten van het IJsselmeer, de vroegere Zuiderzee.
Maar de vissers hadden wellicht gelijk, want op foto's van de Royal Air Force bleken sporen voor te komen van twee oude ronde burchten, die na de drooglegging zichtbaar waren geworden.

Kasteel Kuinre is een kasteelruïne bij Kuinre. In 1196 werd dit huis voor het eerst genoemd. De burcht van Kuinre is een mottekasteel. Het stond vroeger nabij de Zuiderzee, bij de stad Kuinre (nu gelegen in de Noordoostpolder).
Deze burcht werd opgeslokt door de zee en is pas kort na de drooglegging van de Noordoostpolder teruggevonden. Het is toen archeologisch onderzocht en gedeeltelijk gereconstrueerd.

De stichting van het kasteel
De heerlijkheid Kuinre is ontstaan in de 12de eeuw, op de grens van Friesland en het Oversticht, dat in handen was van de bisschop van Utrecht. De heerlijkheid was ongeveer net zo groot als de huidige Noordoostpolder.

De burcht van Kuinre is eigenlijk de tweede burcht in een reeks van drie burchten die elkaar hebben opgevolgd. De allereerste burcht van Kuinre moet zijn gebouwd ergens tussen 1165 en 1197, maar hoe die eruit zag is niet bekend.

De Heren van Kuinre
De burcht van Kuinre was bedoeld als steunpunt voor de bisschop van Utrecht. Maar de heren van Kuinre, die de heerlijkheid in leen hielden van de bisschop, hebben zich al gauw gericht op een zelfstandige politiek.

De heren van Kuinre hadden een grote machtspositie: vanuit hun burcht controleerden ze de handelsroutes die van en naar de IJsselmonding liepen. Ook controleerden ze de rivieren de Kuinder of Tjonger en de Linde. Op deze handelswegen hebben de heren van Kuinre ongetwijfeld tol geheven.

In de 14e eeuw maakten de heren van Kuinre zich herhaaldelijk schuldig aan piraterij. Ze overvielen en plunderden de handelsschepen die op de Zuiderzee voeren. De besturen van vele Hanzesteden zoals Zwolle, Kampen, Deventer of Stavoren beklaagden zich vaak over hun misdragingen. Daarnaast deden de heren van Kuinre aan valsmunterij: ze sloegen munten die nabootsingen waren van munten van machtiger vorsten.

Het einde van de oude burcht
In de tweede helft van de 14de eeuw moesten de heren van Kuinre hun oude burcht opgeven: de vernatting en verzilting van de omgeving moeten hierbij een rol hebben gespeeld. De oude burcht werd rond 1378 vervangen door een nieuwe burcht (ook een mottekasteel) op de andere oever van de rivier de Kuinder of Tjonger.

Uiteindelijk verloren de heren van Kuinre hun machtspositie. De bisschop van Utrecht wilde zijn territoriale macht consolideren en daarvoor was het bezit van de burcht en van de heerlijkheid Kuinre van groot belang. In 1395 had hij tijdens een veldtocht al de opstandige heer van Coevorden op de knieën gedwongen, en nu was heer Herman van Kuinre wellicht bang om ook zo'n vernedering te moeten ondergaan: in 1407 verkocht Herman de heerlijkheid Kuinre aan de bisschop van Utrecht. De burcht werd in handen gegeven van een bisschoppelijke kastelein.

 

 

 

Afbeelding:

Opgegraven resten van het Kasteel Kuinre

waarvan Evert Kruse burggraaf was.

 

 

Detailtekening

 

 

Gereconstrueerde ruine; voorkant

 

Gerecontstureerde ruine

 

 

2e kasteel Kuinre

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 12.09.1467 werd Evert Kruse beleend met verschillende tienden uit landerijen en erven in het kerspel Vollenhove. Ook bezat hij een erf in De Leeuwte bij Vollenhove. Het leengoed ging na zijn dood over op zijn zoon Herman, die er 08.06.1469 mee werd beleend.

 

In 1453 leende de landsheer, bisschop Rudolf van Diepholt, een som van 2000 guldens, waarvoor een twintigtal edelen, waaronder Evert Kruse borg stond. Waarschijnlijk mede hierdoor werd hij in 1455 kastelein of burggraaf van Kuinre.

 

Al vanaf zijn eerste dienstjaar gaf hij aanzienlijke bedragen uit om de burcht te herstellen en te verstevigen.

Omdat de bisschop, zoals eerder regel dan uitzondering was, geen geld had om Evert schadeloos te stellen, verpandde hij hem het ambt en het kasteel van Kuinre. Rudolfs opvolger bisschop David van Bourgondië, continueerde Evert als kastelein. Met consent van de Drie Steden van Overijssel verlengde hij op 16.10.1457 Everts commissie met tien jaar. Evert moest als bisschoppelijk ambtenaar zorgdragen voor het huis, de burcht en de heerlijkheid, zorgen dat de tollen, renten en  accijnzen werden geïnd en een schout in Kuinre aanstellen. Als tegemoetkoming in de onkosten die hij moest maken, droeg de bisschop hem enkele stukken land op.

 

 

 

 

 

 

het Drostenhuis op het binnenplein van het Oldehuis, pentekening van A. de Haen uit 1729

 

 

Afbeelding 4:

Tekening van het Bisschoppelijk Slot te Vollenhove;

Het Oldehuis,. Evert was hiervan burggraaf nadat hij dat was geweest van het slot Kuinre

 

 

 

 

 

 q

Het Kasteel te Vollenhove

 

Bij de Grote of Bovenkerk ligt de binnenhaven met daarin een eiland. Hier stond ooit een slot. Deze plek werd nog tot in de vorige eeuw wel het rondeel of het fort genoemd. Er is niets meer te vinden van de oude bouwwerken: het huidige maaiveld ligt zo'n twee meter lager dan oorspronkelijk, veel grond is weggegraven. De oorspronkelijke slotgracht werd verbreed tot vissershaven en is nu jachthaven. Het terrein van het kasteel werd industrieterrein voor de visverwerking, woonwijk en nu recreatieterrein voor overblijvende watersporters.

Het Oldehuis werd gebouwd door de Utrechtse bisschop Godfried van Reenen (1156 - 1178) ter beveiliging tegen de invallen van de Stellingwerver Friezen. De historische schrijver Dumbar weet te vertellen, dat in 1165 "dat huys te Vollenho tegens de Vriesen getimmert is". Van der Aa (aardrijkskundig woordenboek) stelt dat dit kasteel pas in 1178 door genoemde bisschop gesticht is. Het kasteel kan slechts van zeer bescheiden afmetingen zijn geweest. Het was een voorbeeld van een "château á motte" en van aanzi BCVBCnlijk geringere omvang en hoogte dan het kasteel in zijn uiteindelijk gedaante.
 

De eerste bebouwing werd gevolgd door een andere bouwperiode, daar de bisschop van Utrecht veel te lijden had van invallen van de Stellingwervers uit Friesland. Een zeer oude tekening, waarschijnlijk afkomstig uit de dertiende eeuw, toont een ingewikkeld samenstel van gebouwen op dit eiland. In de eerste plaats is een gekanteelde weermuur met uitspringende halfronde flankeringstoren te onderscheiden. Deze vesting staat bekend als het 'blokhuis', gebouwd met afkomend materiaal van de eerste ronde burcht van Kuinre.
Achter deze burcht staat een kapel of een woning, dat is niet duidelijk. Aan de andere zijde is een hoog huis het belangrijkste bouwwerk. Ter hoogte van het zadeldak is de muur voorzien van kantelen. Hierop sluiten nog enige lagere gebouwen aan. Het geheel is van een lage ommuring voorzien, welke muur steil afloopt naar een strook grond voor de gracht. Ten tijde van de bouw was de latere Zuiderzee nog niet gevormd. In 1170 deed een geweldige watervloed de golven van de Zuiderzee uitlopen tot voor de poorten van Vollenhove.

 

In de loop der tijden heeft deze sterkte talrijke aanvallen moeten doorstaan, want zij was de sleutel tot het omliggende land en de daarin liggende steden. Deze steden kregen dan ook bij een in 1450 gesloten verdrag invloed op de benoeming van de kastelein of de slotvoogd van Vollenhove. De eerste die als zodanig wordt genoemd, is Pelgrim van Putten in 1270: 'Peregrinus Miles de Putten, castellanus in Vollenho'. De bewaking van het slot was steeds toevertrouwd aan de zorgen van deze kastelein.
Uiteraard hadden de bisschoppen talrijke mensen in dienst, die voor het onderhoud en de verdediging van de sterkte moesten zorgen. In een akte uit de 12e eeuw wordt gesproken over 'torenmans, den portier, wachters en de gardeniers', terwijl ook steeds meer burgers en edelen zich hier vestigden.

 

 

 

 

 

 

 

Genoemde tien jaar heeft hij niet vol gemaakt, want op 27-09-1465 promoveerde de bisschop hem tot kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove.

 

Zijn broer Maas werd zijn opvolger in Kuinre. Kastelein was Evert van het bisschoppelijk slot in de stad Vollenhove, maar zijn schout- en rentmeestersambt oefende hij uit in het gehele land van Vollenhove. De schouten werden ook wel ambtman, later drost, genoemd en werden steeds gekozen uit aanzienlijke Overijsselse adellijke families.

 

Eind 1468 of begin 1469 is Evert Kruse overleden. De bisschop benoemde op 3 februari 1469 zijn zoon Herman Kruse tot schout en rentmeester, echter met de voorwaarde dat hij geen besluiten mocht nemen zonder voorkennis van Gerrit van IJsselmuiden.

De benoeming had een zeer tijdelijk karakter, want al op 1 oktober 1469 stelde de bisschop Roelof van Bevervoerde aan tot kastelein, schout en rentmeester.

Roelof had namelijk aan Herman de vordering van meer dan 5000 gulden voldaan, die deze  als erfgenaam van zijn vader op de bisschop had. Vermeldenswaard is nog dat Evert Kruse in 1448 zijn zegelstempel verloor. Omdat hij vreesde dat een eventuele vinder misschien misbruik van dat stempel zou maken, liet hij de vermissing in het Kamper stadsboek aantekenen.

 

Evert had behalve een vóór hem overleden zoon Albert, nog een zoon Herman, die evenals zijn vader eerst in de Gezworen Gemeente van Kampen zitting had en later kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove werd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze Herman Kruse is twee keer getrouwd geweest. Uit zijn huwelijk met Stijne Wolfs had hij een dochter Evertje die huwde met Hendrik de Vos van Steenwijk, twee dochters die non werden en twee zonen, Albert en Johan. Uit zijn tweede huwelijk met Kunne van den Klooster, sproten een zoon Cijse en een dochter Bate, die trouwde met Johan van den Camp.

 

Johan Kruse werd, nadat hij bijna tien jaar burgemeester van Kampen was geweest benoemd tot rentmeester van Salland, een functie die in het roerige eerste kwart van de 16e eeuw geen gemakkelijke was. Regelmatig waren Sticht en Oversticht het toneel van oorlogen met Gelre.

 

Op 17 juli 1521 trok een legertje bestaande uit boeren en burgers van Vollenhove en Kampen onder aanvoering van de Diepen-heimse drost Rodolph van Ittersum, de Sallandse rentmeester Johan Kruse, de Kamper burgemeesters Roelof Pael en Johan van der Vecht en de Kamper schout Claas Kruse, die het Kamper vaandel droeg, via Genemuiden en Mastenbroek op naar Hasselt om die door de Geldersen beleger-de stad te ontzetten.

 

Na enige schermutselingen bij het Zwarte Water trokken de Geldersen in grote haast af naar Zwolle, de stad die zich aan de zijde van Gelre had geschaard. Het Hasseltse garnizoen werd verstrekt met 100 soldaten en de ontzetters gingen weer huiswaarts.

 

De bisschop van Utrecht, die ook landsheer van Overijssel was, verbleef in die tijd aan het keizerlijk hof en was niet van zins om spoedig terug te komen om zijn bedreigde land aan te voeren in de strijd tegen Karel van Gelre. Wel stuurde hij rentmeester Johan Kruse enkele duizenden guldens om soldaten aan te werven om de Geldersen daarmee uit geheel Overijssel te verdrijven. Voorlopig kwam daar echter niets van, want op 30 juli 1521 nestelden de Geldersen zich in Genemuiden. Een opnieuw geformeerde strijdkracht van Vollenhoofse boeren die Genemuiden van de vijand moest bevrijden, leed een jammerlijke nederlaag. De aanvoer-ders, de Vollenhoofse drost Herman van IJsselmuiden en de schout van IJsselham, werden doodgeslagen.

Met het aanwerven van extra troepen - drie vendels voetknechten en 100 ruiters - begonnen rentmeester Kruse c.s. pas eind juli, dus een nieuwe poging om tegen Genemuiden op te trekken kon voorlopig niet worden ondernomen.

 

Johan Kruse's medeaanvoerder bij het ontzet van Hasselt, de drost Rodolph van Ittersum, die we1 eens wilde zien  hoe en waar de vijand zich precies verschanst had, trok vanuit Hasselt met een klein gevolg richting Genemuiden, maar liep in een hinderlaag en werd ook doodgeslagen. Op 17 september 1621 kwam Johan Kruse met zijn nieuwe leger van drie vendels voetvolk en 150 ruiters naar Kampen. Daar werd beraad-slaagd over de manier waarop men de Geldersen zou kunnen treffen. De raden van Deventer en die van Kampen waren er voor om eerst de strijd tegen de vijand in Overijssel zelf te beginnen, maar Kruse vond het beter om een inval op de Veluwe te doen en daar de Geldersen te brands-chatten. Kruse kreeg zijn zin en vertrok met zijn troepen op 21 september vroeg in de morgen uit Kampen.

In de loop van de dag namen zij in de dorpen Oosterwolde, Oldebroek, Doornspijk en Nunspeet een groot aantal boeren gevangen en roofden duizenden koeien. Lang hadden zij geen voldoening van hun rooftocht, want de hertog van Gelre, die van de Stichtse plannen op de hoogte was gebracht, wist binnen korte tijd een leger op de been te brengen en een hinderlaag te`leggen voor Kruse en zijn soldaten. De Stichtsen weerden zich dapper maar dolven bij de verrassingsaanslag het onderspit. Een deel van hen wist te ontkomen, maar velen werden gevangen genomen, onder wie de aanvoerders. Alle gevangenen werden door de Geldersen naar Hattem gebracht. Hoofdman Johan Kruse werd in het kasteel van Hattem opgesloten in een kooi, die werd opgetakeld tot aan het gewelf van de toren. Na daarin een tijdlang opgesloten te hebben gezeten, werd hij overgebracht naar Arnhem waar hij de Sint-Janspoort als gevangenis kreeg.

 

Pas in november 1522, dus na langer dan een jaar, werd hij tegen betaling van een losgeld vrijgelaten  en kon hij naar Kampen terugkeren.

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 5 en 6:

Beelden van de ruïne van het kasteel te Hattem ook wel Dikke Tinne genoemd, waar Johan Kruse als gevangene in een  kooi aan de toren werd opgetakeld. (ter beschikking gesteld door DirkJan Septer)

kasteel hattum 1 kasteel hattum 2

 

Afbeelding 7

Onderstaand en voorbeeld van een dergelijke kooi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kooi kasteel hattemAfbeelding 8:

De kooi van Wassenaer zoals die inmiddels wordt nagebouwd. (foto ter beschikking gesteld door DirkJan Septer). Op 22 september 2018 zal de kooi tijdens het Dikke Tinne Festival vertoond worden door middel van straat theater. Ook de sluitsteen waar het touw van de kooi aan was bevestigd wordt op ware grootte nagemaakt van het originele Bentheimer zandsteen. (de originele sluitsteen staat in het Voermanmuseum).

Dikke_tinne

 

 

Tijdens de gevangenschap van Johan Kruse had zijn broer Albert het rentmeestersambt van Salland voor hem waargenomen. In het najaar van 1522 maakte Albert met Borchart van Westerholt, de nieuwe drost van Vollenhove, een reis naar Steenwijk om te proberen het garnizoen aldaar te bewegen uitstel van soldijbetaling te accepteren. Zij kwamen vol vertrouwen Steenwijk binnen, maar merkten al spoedig dat er met de soldaten niet te praten was; erger nog, het garnizoen nam beide ambtlieden gevangen. Pas nadat de steden Deventer en Kampen aan de bisschop om financiële hulp vroegen, en deze zijn zilverwerk liet smelten om er munten van te laten slaan waarmee het Steenwijkse garnizoen werd betaald, lieten de muiters Albert Kruse en Borchart van Westerholt vrij.

 

Johan Kruse nam na zijn terugkeer uit Gelderse gevangenschap zijn werkzaamheden als rentmeester van Salland weer op. Tot 1528 diende hij de bisschop in die functie. Of hij ook nog enige tijd rentmeester was onder keizer Karel V, die in 1528 heer van Overijssel werd, blijkt niet uit de bronnen maar is niet onmogelijk.

 

In 1538 werd hij voor de tweede keer gekozen in de Raad van Kampen, maar hij weigerde zijn zetel te aanvaarden. Dat kwam hem volgens Kamper stadsrecht te staan op een boete van 100 oude schilden. Wegens zijn grote verdiensten voor de stad werd hem echter de boete kwijtgescholden en beloofde men hem dat hij niet weer in de Raad zou worden gekozen.

 

Johan Kruse stierf in 1567. Als we er van uitgaan dat bij een volwassen man was toen hij in 1507 werd ingeschreven als lid van de Schepenmemorie, kunnen we stellen dat hij minstens 85 jaar oud geworden is.

 

Zijn enige zoon Herman was zeven jaar eerder (in 1560) kinderloos overleden. Van Herman is een testament bekend waarin hij zijn bezittingen verdeelt onder zijn verwanten van vaders- en moederszijde en waarin hij vastlegt dat zijn vaders halve zuster Bate moet worden beschouwd als een volle zuster. Deze Bate wordt, als naaste bloedverwante van vaderszijde van Johan Kruse in 1569 beleend met goederen in het land van Vollenhove.

 

Rentmeester Johan Kruse's broer Albert, die hem tijdens zijn gevangenschap had vervangen, werd in het voorjaar van 1523 in Kampen doodgestoken.

 

Over de toedracht van deze misdaad is weinig bekend; kroniekschrijvers reppen er met geen woord over, slechts uit een getuigenis van de Kamper schout Claas Kruse, een achterneef van Albert, worden we iets over de zaak gewaar. Claas getuigde voor de Raad dat hij op de avond dat Albert werd doodgestoken de dader arresteerde in het portaal van het Minderbroedersklooster, waar hij ook het bebloede mes vond.

Ook over een proces of vonnis in deze zaak is geen enkele aantekening in de Kamper bronnen te vinden.

 

 

 

 

 

 

IIIa Evert Kruse (6).

  • Op zijn leven verkocht de stad Kampen in 1428 een lijfrente.
  • Hij was lid van de Gezworen Gemeente van Kampen 1442-1455,
  • keurnoot van de ambtman van IJsselmuiden in 1451,
  • kastelein van Kuinre 1455-1464,
  • lid van de Ridderschap,
  • raad van de bisschop van Utrecht,
  • kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove 1465-1468/69,

 

overleden omstreeks 1469.

Hij trouwt met Aefken (Eva) [Ketelers?], overleden na 01-12-1479 en misschien wel na 11-05-1489.

Uit dit huwelijk:

 

1.           Albert (9). Op zijn leven werd in 1457 door de stad Kampen een lijfrente verkocht  Heffers waren zijn vader Evert Kruse en zijn moeder.

2.           Herman (10), volgt IVa

 

IVa Herman Kruse (10), lid van de Gezworen Gemeente van Kampen 1469, 1474-1486, kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove 1486-1502, lid van de Ridderschap, raad van de bisschop van Utrecht, overleden in 1502 (vóór 4 september).

Trouwt ten eerste (waarschijnlijk vóór 1470) met Stine de Wolfs, overleden tussen 26-07-1492 en 14-03-1499, dochter van Wolf de Wolfs en Hille Bolle.

Trouwt ten tweede (vóór 1499) met Kunne van den Clooster, overleden vóór 31-10-1541, dochter van Cijse van den Clooster en Lutgart Campherbeecke.

 

Uit het eerste huwelijk (volgorde niet zeker):

1.           Albert (20). Hij werd op 15-12-1502 als een der erfgenamenvan zijn vader beleend met een deel van diens goederen, bezat huizen in Kampen, werd door zijn oom heer Egbert Wolfsz in diens testament met aanzienlijke bedragen bedeeld, was in 1519 lid van de Raad van Kampen, in 1521 en 1522 was hij plaats van zijn gevangenzittende broer Johan rentmeester van Salland, maakte 13-03-1516 een aanvullend testament, overleden (doodgestoken) tussen 11 maart en 29 mei 1523. Zijn broer Johan werd 26-08-1523 beleend met zijn nagelaten leengoederen.

2.           Johan (21), volgt Va

3.           Evertje (Everharda) (22). Zij maakt op 16-09-1512 (als weduwe) een overeenkomst met haar broers Albert en Johan. Trouwt (huw. Voorw. 31-05-1489) met Hendrik de Vos van Steenwijk, overleden vóór 16-06-1501, zoon van Hendrik de Vos van Steenwijk en Beerte van Echten.

4.           Wobbeken (23), in 1499 non in het klooster te Brunnepe.

5.           Johanneken (25), in 1499 non in het klooster te Brunnepe.

 

Uit het tweede huwelijk:

6.           Cijse (25), overleden voor 31-10-1541 wanneer zijn zuster Bate, als zijn erfgename wordt beleend met het goed Haevering in de buurtschappen Wijtmen (kerspel Zwolle) en Lenthe (kerspel Dalfsen). Van Rhemen noemt hem Zijse Kruise to Duiringen. Hij trouwt (huw. Voorw. 29-01-1531) met Lutgard van Essen, overleden na 1543, dochter van Hendrik van Essen de olde en Hille Hoijer. De weduwe van Zijse Kruise was in 1544 eigenares van Blanckenvoirde in Raalte.

7.           Bate (26). Zij wordt onder hulderschap van haar man Johan van den Camp op 31-10-1541, na de dood van haar broer Cijse Kruse en haar moeder Kunne van den Klooster, beleend met het goed Haevering. Op 01-02-1569 wordt Bate, onder hulderschap van haar zoon Herman van den Camp, na de dood van haar halfbroer Johan Kruse [wiens enige zoon vóór hem was overleden], beleend met diens nagelaten leengoederen in het land van Vollenhove. Bate is overleden vóór 05-09-1578, wanneer haar zoon Herman met de goederen in het land van Vollenhove wordt beleend. Trouwt met Joahn van den Camp, overleden vóór 10-08-1546, wanneer zijn zoon Herman als zijn leenopvolger wordt genoemd, zoon van Johan van den Camp en Anna Hondenberg

 

Va Johan Kruse (21), ingeschreven als lid van de Schepenmemorie in 1507, lid van de Raad van Kampen 1509-1518, rentmeester van Salland 1518-1528, lid van de Ridderschap van Overijssel, beleend met het Essense leengoed Badinck te Eeme (kerspel Dalfsen) 09-04-1524, beleend met goederen in het kerspel Vollenhove 26-08-1523 e.v., bezitter van huizen en erven in Kampen en omgeving, overleden in 1567 en begraven in de Sint-Nicolaaskerk in Kampen.

Trouwt vóór 08-11-1518 met Gese van Hattem, overleden na 29-01-1544 (waarschijnlijk in 1548) weduwe van NN van Thije, dochter van Ludolf Lubbertsz en Alijt van Hattem Gosensdr.

Uit dit huwelijk:

 

Herman Kruse (36), lid van de Gezworen Gemeente 1544-1551, lid van de Raad van Kampen 1551-1560, testeert 04-01-1558, waarbij hij zijn vader, zijn vrouw en de familie van zijn moederszijde (van Hattem) als zijn erfgenamen noemt, op 08-01-1558 medebezegelaar voor de Coevorder drost Engelbert van Ens, overleden 22-02-1560. In zijn testament bepaalt hij dat zijn vaders halve zuster Bate Kruse, de weduwe van Johan van den Kamp, bij het delen van zijn nalatenschap moet worden beschouwd als een volle zuster. Trouwt met Antonia de Wael, waarschijnlijk een dochter van Willem de Waell van Vianen en NN van Winssem. Zij machtigt in 1599 haar neef Johan van der Vecht om voore de leenkamer van Montfoort aan zijn dochter Helena van der Vecht 6 morgen land in Leerdam op te dragen. Antonia testeert te Kampen op 16-07-1601; zij geeft een deel van haar nalatenschap aan haar nicht Elizabeth van Raaphorst, de vrouw van Balthasar van der Vecht of hun kinderen, en een deel aan haar neef Johan van der Vecht of diens kinderen. Een joffer Cruse, waarschijnlijk Antonia de Wael werd in 1615 begraven in de Bovenkerk in Kampen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Een andere zoon van Herman, Maas Kruse, was van 1457 tot 1464 Schout van Kampen. Het lijkt mij goed op dit punt iets meer te vertellen over de functie van Schout in die tijd.

Bij het bestuur van een stad was aanvankelijk ook de schout nauw betrokken. De schout was de verte­genwoordiger van de landsheer en de voorzitter van het stadsgerecht. De schout was een soort potte-kijker van de landsheer. Het is dan ook goed voorstelbaar dat het stadsbestuur in de loop der eeuwen alles in het werk heeft gesteld om zijn invloed te beperken.

Allereerst kreeg het stadsbestuur van Kam-pen het voor elkaar dat hij door de drost van IJsselmuiden werd benoemd.

 

Later werd nog als voorwaarde gesteld dat hij burger van Kampen moest zijn en daar ook eigendommen moest hebben.

 

Ook een interessante passage trof ik nog aan in "Kampen vroeger en nu (van dr. C.N. Fehrmann; ISBN 90 228 3112 4) op blz. 55:

 

 

 

 

 

 

 

 De Hertog van Alva

"....... In 1568 viel Lodewijk van Nassau met een legertje Groningen binnen. Bij Heiligerlee behaalde hij een overwinning. Aremberg sneuvelde tijdens de strijd. Zijn lijk werd naar Vollenhove gebracht en daar in de Grote Kerk begraven.. Megen werd zijn opvolger. Grote gevolgen had de slag bij Heiligerlee niet. Een opstand bleef uit. Alva kon ongehinderd met zijn leger naar het noorden trekken en verpletterde Lodewijk bij Jemgum.

 

Op de terugweg bezocht de hertog Kampen. Het stadsbestuur stelde alles in het werk om de overwinnaar zo luisterrijk mogelijk te ontvangen. Alva werd  bij de weduwe Kruse, die in de Oude Straat woonde, onder dak gebracht; zijn gevolg, waaronder zijn zoon, don Frederik, zoals gebruikelijk was bij aanzienlijke burgers. ......"

 

 

 

 

 

 

Ik ben benieuwd bij welke weduwe dat precies was. Het zou heel goed kunnen zijn dat dit Antonia de Waal was, dr. van Willem de Wael van Vianen en NN van Winssem. Zij was getrouwd met Herman Kruse (overleden in 1560). Zijn vrouw overlijdt in 1615.

 

Even een korte zijstap naar Albert Kruse:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 6a:

De plaats van het huis van Johan Kruse aan de Burgwal vlak bij de Bovenkerk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit een Kamper Almanak halen we de volgende informatie over een woning die door de familie Kruse werd bewoond. Albert Kruse (overleden 1523) bewoonde eind 15e – begin 16e eeuw een huis op de hoek van de Burgwal / Muntsteeg; achter de Latijnse school aan het Muntplein. Het huis bestond toen uit drie aaneengeschakelde bo uwdelen.

Allereerst was er de “saell”. Deze had aan de Burgwalzijde een uitgebouwde zijkamer, waarin alleenstaande familieleden onderdak vonden: “salige Claes Krusen Kamer (overleden 1497), [die] waleer Griete Kruse (overleden 1517) plach toe behoeren”. Wanneer men de vertrekken achter de zaal wilde bereiken dan ging men “doer een onderschotsmuyre  [balkdragende muur] int saell gelegen … in eenen ganck”. Die gang liep van de achterzijde van de zijkamer door tot aan de “middengevell”, Achter deze tussenmuur bevonden zich de binnenhaard of “stoeffken”, een “hanccamer [insteek] boven het stoeffken” en de “kokenen, daer der kockenschorsteen inne staet”. De benaming ‘stoof’ voor de binnenhaard wijst erop, dat dat vertrek geen open haard had, maar een kacheloven. De gang strekte langs de binnenhaard, tot aan de keuken. Een tweede “middengevel” scheidde tenslotte de keuken van het derde bouwdeel, “der kameren daerachteran” ofwel de achter-kamer.

 

 Het is opmerkelijk dat de binnenhaard en de insteek niet in de zaal zijn afgetimmerd, maar in een met tussenmuren afgescheiden ruimte tussen de zaak en de achterkamer. Het is niet duidelijk of van oudsher een tweede zaalruimte beoogd was of dat door verbouwingen de oorspronkelijke indeling van zaal en achterkamer was verdwenen door het plaatsen van een tussenmuur.

Uit de opgegeven maten van de gang blijkt dat de zaal ongeveer 10 meter lang geweest moet zijn (5,75 meter gang plus de lengte van de zijkamer) en dat de binnenhaard en de keuken  samen een lengte hadden van 8,5 meter. Over de afmetingen van de achter- en zijkamer hebben we geen informatie. Hoe de zijkamer op de gang in de zaal aansloot, kan niet met zekerheid uit de beschrijving worden opgemaakt. Omdat het huis een zijkamer had, mogen we aannemen dat er in het gebied tussen Muntplein en Burgel brede percelen voorhanden waren.

 

Johan Kruse (overleden 1567) was getrouwd met Ghese van Hattem, die overleed na 1568. Johan was ingeschreven lid “Schepen-memorie” te Kampen 1507, Schepen 1509 en burgemeester aldaar, rentmeester van Salland 1521. Hij was een zoon van Herman Kruse en Stijne Wolfs.

 

Toen Johan Kruse het huis bewoonde, liet hij de binnenhaard en de insteek wegbreken “omme die koecken to ruymer ende groter te wordden tusschen beyden middelgevelen, gelyck die nu tegenwoerdich is”.

 

Ook inde zaal liet hij de gangmuur wegbreken, “daer nu noch het fundament licht”. Uit het verslag blijkt dat het opgemeten pand erg lang was. Er werd geen melding gemaakt van verdiepingen of zelfs van een trap. Die moet er wel zijn geweest. Hoe kwam men anders op de insteek of op de zolder?

Waarschijnlijk stond er een spiltrap in de binnenhaard of in de keuken. De familie Kruse had de uitbreiding van het woonoppervlak gezocht in de lengte en de breedte van het bouwerf en niet in de bouw van verdiepingen.

 

 

 

 

 

 

De tekening van Alexander Pasqualini.

 

Eveneens uit een Kamper Almanak halen we nog wat aardige informatie over de familie Kruse en wat er zich in hun tijd voordeed.

 

In 1543 maakte namelijk de Italiaanse vestingbouwer / architect Alexander Pasq-ualini in opdracht van de Landdag van Over-ijssel  onderstaand plan tot verbetering van de vestingwerken bij de Hagenpoort. Dit was nodig i.v.m. de aanvalsdreiging van Marten van Rossem. Dit leidde tot de onderstaande kaart.

“Kaart van de vestingwerken in de omgeving van de Hagenpoort met een ontwerp voor een geschutswal; Alexander Pasqualini, 1543 (Gemeentearchief Kampen)”.

 

Dit ontwerp werd overigens nooit uitgevoerd.

De reden hiervoor is niet helemaal duidelijk. Het Kamper stadsbestuur was niet echt geïnteresseerd. Ook maakte de vrede van Venlo een eind aan de dreiging waardoor er geen directe noodzaak meer bestond. De rentmeester van Salland (Van Ensse) bracht het plan regelmatig onder de aandacht van de Kamper raadslieden.

 

Uiteindelijk schrijft hij in een brief van 7 juni 1554 het volgende: “Nu ist dat ic ’t selve (het ontwerp van Pasqualini) dickwels sommige van U.E. raetsfrunden angesacht heb, doch ten lesten so daer nymant op vervolchden,  heb ick mijn zwagehr Johan Kruse ’t selve in bewaring gedaan.

Het moet hier volgens mij gaan om Johan Kruse overleden in 1567; zoon van Herman Kruse overleden 1502 en vader van Herman Kruse.

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 7:

 

Een tekening van Alexander Pasqualini van de vestingwerken bij Kampen.

Deze tekening is uiteindelijk in bewaring gegeven bij Johan Kruse.

 

 

 

 

 

 

Het Wapen van de familie Kruse

 

Thomas Kruse, de man van Jutte van Schelle, zegelde in 1424 nog niet met een wapenzegel maar met een huismerk. In 1455 zegelden Lodewijk en Maas Kruse beiden met een wapenzegel. Het wapen van Maas was doorsneden, a effen, b drie weerhaken; Lodewijk voerde enkel de drie weerhaken. Schildhouders en helm met helmteken voerden zij niet. Vanaf 1463 voerde ook Lodewijk een doorsneden wapen en bovendien als helmteken een halfuitkomende klimmende wolf. Latere Kruse's zegelden met hetzelfde wapen.

 

Enkele Zegels:

 

 

Een zeventiende eeuwse kaart met de wapens van Overijsselse edelen geeft voor Kruse een doorsneden wapen: a zilver, b in zwart drie zilveren weerhaken. J.B.Rietstap, in 'De Wapens van den Nederlandschen Adel' beschrijft het wapen Kruse, of zoals hij schrijft Kruise, als volgt: In zwart drie zilveren weerhaken, 2 en l, en een gouden schildhoofd. Helmteken: een uitkomende zwarte wolf met roode tong; of, een zilveren weerhaak tusschen eene gouden vlucht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto 5:

Oude

Raadhuis

 

 

Voor onze familiegeschiedenis is na deze zijstappen van belang het derde kind van Herman, Lodewijk Kruse.

 

Terug naar boven

 

 

(3) 1.1.4

Lodewijk KRUSE - 7

 

Geboorte – datum:

ca. 1425

Geboorte - plaats:

Kampen

Doop - plaats:

Kampen

Overlijden - - plaats:

Kampen

Begrafenis - - plaats:

Kampen

 

 

Echtgenoot:

Grete WILSUM VAN - 30

Overlijden - - datum:

1517

Overlijden - - plaats:

Kampen

Huwelijk - plaats:

Kampen

 

 

Kinderen:

Wobbeken – 31 – geb rond 1450

Armgart – 32 – geb rond 1452

Claas – 33 – geb rond 1456

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grete de vrouw van Lodewelijk overleed rond 1517.

v  Lodewijk was in 1456 Gemeensman.

v  Daarna was hij gedurende langere tijd (met korte onderbrekingen) burgemeester (1458-1461, 1463-1467, 1469-1470, 1473-1487).

 

Als opvolger van zijn broer Evert, die kastelein van Kuinre was geworden, werd Lodewijk Kruse in 1456 gekozen in de Gezworen Gemeente. In de 15e eeuw was het kiezen van elkaar opvolgende verwanten in stedelijke bestuurscolleges een – zij het door de gewone burgerij verafschuwde en met lede ogen aangeziene – gewoonte geworden 

Hieraan werd pas in 1519 een (tijdelijk) einde gemaakt.

 

Van 1459 tot aan zijn dood in 1487 was Lodewijk lid van de Raad van Kampen, het hoogste stedelijke bestuursorgaan, waarvan ieder lid de persoonlijke titel van burge-meester voerde.

 

Uit zijn huwelijk met Grete van Wilsem sproten de twee dochters Wobbeken en Armgart en de zoon Claas. Armgart huwde met burgemeester Hendrik Voome, Claas met Gese Wilting.

 

 

 

 

 

 

IIIb Lodewijk Kruse (7). Lid van de Kleine Gemeente van Kampen 1456, lid van de Raad 1459-1487, bezitter van huizen in Kampen en land en erven in Kamperveen, Vollenhove en Blanken-ham, overleden in 1487. Trouwt vóór 1459 met Grete van Wilsem, overleden tussen 08.03.1516 en 12.09.1517. Volgens Van Rhemen was zij een dochter van Hendrik Woltersz van Wilsem en Geesken van Wilsem.

Uit dit huwelijk (volgorde niet bekend):

 

1 Wobbeken (11). Zij wordt 14.06.1483 met haar zuster Armgart en haar haar broer Claas ge-noemd in het testament van hun tante Gloria van Wilsem.

2 Armgart (12). Met haar dochter Jutte Voorne en hun voogden Jacob Hoppenbrouwer en heer Bartolt van Oldeniel geeft zij 28.08.1509 aan de armen van Kampen een jaarlijkse rente van 10 heren ponden. Bij de verkoop van een rentebrief op 17.08.1510 waren Hendrik Hoff en Jan Kruse [haar neven] voogden. Zij bracht 06.05.1511 haar besloten testament bij de schepenen. Volgens de ledenlijsten van de Sint-Cuneramemorie is zii in 1511 overleden.

Trouwt met Hendrik Voorne, lid van de Schepenmemone 1488, kerkmeester van het Minderbroe-dersklooster 1495,1497, kerkmeester van het Heilige-Geestgasthuis 1499, 1501, waardijn 1495-1498, 1502, lid van de Raad van Kampen 1503-1509, overleden in 1509, zoon van Marten Voorne en Jutte Haverman.

3 Claas (13). volgt IVb.

4 Glorie [?] (14). Joffer Glorie Kruse wier erfgenamen worden genoemd in transportakten van 1516 en 1517, was waarschijnlijk een dochter van Lodewijk Kruse en Griete van Wilsem, welke laatste een zuster Glorie had, die in haar testament van 14.06.1483 haar zuster Griete's kinderen Wobbeken, Armgart en Claas Kruse noemt.

Glorie kan een geestelijke joffer zijn geweest, die bij haar intrede in een convent al iets van haar familie had gekregen. Dergelijke vrouwen werden soms niet genoemd in testamenten of schenkingsakten.

 

Terug naar boven

 

 

Door naar de 15e en 16e eeuw