De Amerikaanse Tak

 

Op deze plaats is het misschien wel even aardig een zijstapje te maken naar een tak van de familie Kroeze waar ik de nodige informatie over heb kunnen vinden. Het gaat om de tak van Hendrik Johannes Kroeze, die een broer was van mijn overgrootvader. Hendrik Johannes Kroeze; geboren 11-05-1842; Gehuwd 03-11-1864 met Pietronella Diebrink; dochter van Jan Willem Diebrink en Tonia ten Kleij.

 

 

 

 

Foto 1: Barend Herm Jan Johannes’

Kroeze (1868 - 1960)

 

 

Foto 2: Jeanette Muzette Gray

(1874 – 1981)

 

 

Van Hendrik Johannes Kroeze gaat ook het verhaal dat hij de directeur was van de gasfabriek die in Kampen zorgde voor het gas dat voor de straatverlichting werd gebruikt. Nader onderzoek brengt mij tot de overtuiging dat het moet gaan om de voorganger van de gasfabriek die in later tijd buiten de Hagen bij de buitenhaven heeft gelegen. In het midden van de negentiende Eeuw bouwde Kampen namelijk een nieuwe gemeentelijke gasfabriek. Een particuliere ondernemer had in 1854 aan de IJsselkade namelijk zo´n stinkende fabriek neergezet. Er waren voortdurend klachten over de slechte kwaliteit van het gas. De fabriek slaagde er niet in een gelijkmatige gasdruk te leveren, waardoor de helderheid van het licht vaak te wensen overliet. Gezien de problemen met de gasfabriek, inmiddels omschreven als “een oude en versleten boedel”, zag het stadsbestuur in 1871 af van het verlengen van de concessie[i]. Of Hendrik Johannes Kroeze daadwerkelijk directeur van deze fabriek is geweest, durf ik niet met zekerheid te zeggen.

 

Na een aantal voorzichtige experimenten met gasverlichting in de eerste helft van de 19de eeuw, kwam de gaswinning uit kolen na 1850 in Nederland steeds meer in gebruik. Ook Kampen bleef hierin niet achter.

Van 1842 tot in 1853 was gasverlichting een van de thema’s in de raadsvergaderingen. De prijs van de nieuwe verlichtingsmethode was echter een struikelblok en daarom bleef de stad nog lang vasthouden aan de olieverlichting. Dat de gemeenteraad in 1852 plotseling meer belangstelling kreeg voor gasverlichting, had vooral te maken met de snel gestegen kosten van olieverlichting. Via een openbare inschrijving voor het verlichten van de straten door middel van gas, werd in 1853 uiteindelijk gekozen voor de gebroeders Le Prince uit Luik. In Nederland werd deze firma vertegenwoordigd door de heer R.J. de Jongh, waarmee op 10 augustus 1853 een contract werd gesloten. Er werd een particuliere gasfabriek gebouwd bij de Koornmarktspoort die op 16 september 1854 in bedrijf ging. Erg betrouwbaar was de nieuwe gasverlichting niet. De helderheid van het licht liet vaak te wensen over. In 1871 besloot de gemeenteraad niet meer in zee te gaan met De Jongh en de fabriek, het buizennet en de lantaarns te verwijderen. Buiten de Hagen liet de stad een gemeentelijke gasfabriek bouwen, die op 1 juli 1874 in bedrijf ging.

 

In het boek “A Prairie Saga” van Barend Kroeze (de zoon van Hendrik Johannes) staat een wat ander verhaal. Dat komt in het kort hier op neer. De vader van Barend Kroeze vader was de eigenaar van de gasfabriek in Kampen. De fabriek was gelegen aan een gracht. De vroede vaderen hadden een besluit genomen dat de tanks verzonken moesten worden. Iedere poging om de enorme tanks te verzinken bewezen een mislukking te zijn door het onophoudelijk sijpelende water dat elk beschikbaar apparaat in de war bracht. Uiteindelijk zich de nutteloosheid van de taak realiserend, verkocht hij zijn zaak en vertrok naar Amerika om opnieuw te beginnen en een huis te vestigen waarin hij zijn familie kon grootbrengen.De datum van het niet verlengen van de concessie en het moment waarop Hendrik Johannes emigreerde naar Amerika stemmen aardig overeen. In dat kader is het ook nog wel aardig even te verwijzen naar een notariële akte.

U ziet er zitten wat verschillen in de twee versies van dit verhaal.

 

20-03-1873

Notaris A. Höfelt; inv. 371-12 acte 4396

Comparanten:

H.J. Kroeze Andriesz, timmerman;

P. Diebrink

Inhoud:

H.J. Kroeze Andriesz., timmerman, verstrekt volmacht aan zijn echtgenote P. Diebrink en bij haar ontstentenis of afwezigheid aan E. Kroeze Andriesz., smid of A. Kroeze, z.b. om tijdens zijn afwezigheid al zijn zaken waar te nemen of te behartigen.

 

 

 

Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat vrij kort na het niet verlenging van de concessie Hendrik besloot naar Amerika te vertrekken om te proberen daar een nieuw bestaan op te bouwen. Voor zijn vertrek legde hij bij de notaris vast wie tijdens zijn afwezigheid zijn zaken moest waarnemen of behartigen.

 

Het verging Hendrik Johannes in Amerika vrij goed. Zijn zoon Barend werd uiteindelijk President van Jamestown College.

Hier valt nog een heel verhaal over te vertellen, maar ik volsta hier met het laten zien van een foto van hem en zijn vrouw. Ik heb inmiddels contact gehad met zijn kleinzoon Robert Harold Kroeze – 1941. Naast de foto van Barend zie je ook nog de foto van zijn echtgenote die heel oud geworden is en een zeer goede pianiste was. In het boek “A Prairy Saga” wordt een aardige biografie weergeven van Barend Kroeze. Met de vertaling hiervan ben ik nog bezig, maar verder op deze pagina wordt de vertaling voor zover deze af is getoond.

 

Mijn vader wist mij te vertellen dat ergens in 1956 of 1957 hij een bezoek kreeg van een zekere professor Barend Herm Jan Johannes Kroeze uit Amerika die op zoek was naar naamgenoten in Nederland en zodoende bij mijn vader en mij terecht gekomen was.

 

Ik ben inmiddels via Jamestown College (als friend of Jamestown College; bij wijze van uitzondering hebben ze mij toegang tot hun site gegeven) in contact gekomen met de kleinzoon van Barend Kroeze.

 

 

 

Foto  3: Barend Kroeze op jongere

leeftijd toen hij werkte op een school

in Washington

 

 

Afb.  1: Schema dat de relatie laat zien tussen deze Amerikaanse tak en de onze

 

 

Enkele foto’s over dit gebied:

 

 

 

Foto 4: Voorhees Chappel op

Jamestown College.

 

 

Foto 5: Deze kerk is ontworpen door

Barend Kroeze, die voor zijn studie

theologie ook architectuur had gestudeerd.

 

 

Foto 6: foto van het kerkorgel.

 

 

 

Foto 7: Kroeze Hall; een gebouw op de

campus genoemd naar de

vroegere president

 

 

De Majestic – Het schip waarop Barend Kroeze in 1922 weer terugkeerde naar Amerika na een reis naar Nederland

 

Barend Herm Jan Johannes Kroeze

Uit het boek: “Een prairie sage”; 1952

Memoires door: Jeannette Gray Kroeze

Vertaling door: Bart Kroeze

 

Hoofdstuk I

 

IN EEN VREEMD LAND

 

            Het materiaal waarvan een mens gemaakt is, heeft ontegenzeglijk zijn wortels in zijn voorgeslacht. Hij is niet geheel en al het product van zijn rechtstreekse omstandigheden en kansen en cultuur – hij is een belichaming van het verleden. Het voorwerp van deze beknopte beschrijving, President Barend H. Kroeze, beweerde in zijn onderwijskundige carrière altijd met klem dat de cultuur van de voorbije eeuwen is verweven in de stof van onze tegenwoordige beschaving; dat we feitelijk niet geboren zijn zonder een deel uit te maken van alle voorgaande ontwikkelingen; dat onderwijs in zijn context, om trouw te zijn aan zijn werkelijke plicht, rekening moet houden met het ontvouwen van de tijd, met al zijn bijdragen van welke aard dan ook, als het trouw is aan zijn grote roeping om het lot van de mens op aarde en het geluk van het menselijke ras te bevorderen. Wanneer vrienden zich verwonderden over zijn krachtige persoonlijkheid, zijn buitengewone gezondheid en geestelijke uithoudingsvermogen en hem vroegen daarvoor een verklaring te geven, maakte hij vaak (met pretoogjes) de opmerking: “Wel, zie je, het wordt veroorzaakt door mijn oorspronkelijke protoplasma!” In een discussie (waarin hij zich altijd maar al te graag begaf) liet hij altijd graag zien hoe zijn bloemen

 

117

 

een grotere wasdom en diepere kleur hadden dan andere, hoewel de planten van hetzelfde ras waren, omdat hij ze aanvankelijk vertraagde, zodat ze diepe en sterke wortels zouden krijgen die de fundering zijn voor kracht en welige bevalligheid. Al het leven is het zelfde – Er moet iets zijn om op te bouwen. Er is deugdzaamheid in het voorgeslacht – een mens is niet een toevallig wezen.

            In overeenstemming met deze filosofie van de continuïteit van het leven, waarin hij een diep gelover was, ondernam Dr. Kroeze een reis naar Nederland in 1922 om de oorsprong van zijn stamboom te bestuderen. Bij zijn terugkeer schreef hij de volgende legende:

            “De traditie die de laatste jaren aan ons is overgeleverd, wijst er op dat gedurende de vervolgingen in Frankrijk onder de wrede en gewetenloze Koning Karel IX, enkele van onze voorouders, samen met vele andere van de vervolgde Hugenoten, naar de regio’s in het Noorden vluchtten waar vrijheid en onafhankelijkheid bestond en waar ze zouden kunnen leven in vrede en God zouden kunnen aanbidden, in overeenstemming met de stem van hun geweten. De naam begon in die tijd met de letter C met het accent op de laatste lettergreep hetgeen een Franse oorsprong impliceert. Het zelfde was het geval voor de stad Kampen, in Nederland – het was Campen. Het lijkt er op dat rond 1650 de familie in die stad opdook. Waarschijnlijk was er een eerdere nederzetting verder naar het zuiden in de industriële en onafhankelijke Kantons van Friesland (noot: een misverstand natuurlijk want Friesland ligt t.o.v. Kampen immers in het Noorden. Overigens zijn de aannames van professor Kroeze ook op andere punten niet geheel juist, maar dat is voor dit verhaal niet bezwaarlijk. Het was immers in 1922 behoorlijk lastig om dergelijk onderzoek naar je voorouders te verrichten. Een dergelijk onderzoek was in die tijd trouwens vrij bijzonder.). In augustus 1922 deed ik een kleine studie naar de stad Kampen en verkreeg enkele belangrijke feiten. Ik was geboren in Kampen in de Nieuwstraat, en

 

118

 

natuurlijk had die curieuze oude stad vele attracties voor mij. Het wordt nu één van de dode steden van de Zuiderzee genoemd met ongeveer 25.000 inwoners en volledig omgeven door een gracht behalve aan de voorzijde waar de rivier de IJssel stroomt. Haar oude poorten en vroegere muren wankelen naar hun ondergang. Eén poort met vier torens wordt de Broederpoort genoemd en is gebouwd in 1465. In de stad staat een oude Kerk die vroeger de St. Nicholaaskerk werd genoemd, maar sinds hij werd afgenomen van de Rooms Katholieken en het hoofdkwartier werd van het hervormde geloof, staat hij bekend als de Bovenkerk. Hij staat gerangschikt als de derde meest aanzienlijke gotische kerk in Nederland. Het is een imposante structuur gebouwd in 1167. De vloer van de kerk is letterlijk gemaakt van stenen platen waarop de namen en data zijn gegraveerd van personen die daar zijn begraven – waarschijnlijk mensen van enig aanzien. Veel van deze platen zijn versleten zodat de inscripties niet gelezen kunnen worden. Van bijzonder belang voor mij was het feit dat ik twee platen vond waarop de laatste rustplaats was geregistreerd van twee of meer van mijn voorvaderen met onze naam. Eén was begraven op 20 oktober 1665. De naam Kroeze was helder en duidelijk, maar de initialen waren versleten op één letter D na. Een ander in 1690 en een ander naar het schijnt op 7 april 1815 – dat zou ook 1715 kunnen zijn aangezien het tweede cijfer onduidelijk was. Ik ontdekte dat het eerste geregistreerde kind met de naam Kroeze geboren werd in Kampen in het jaar 1713. De eerste datum voor onze stamboom is daarom 18 mei 1713, toen onze voorvader werd geboren als de zoon van Arends Kroeze en Henrick Kroeze werd genoemd. Wanneer Arends precies werd geboren weten we

 

119

 

niet, maar hij stierf op een flink hoge leeftijd en moet ergens in 1600 geboren zijn.”

In die vroegere tijd was Nederland een vreemd land; in het noorden eeuwig onderwerp van de nukken en verwoestingen van de zee. Het zuidelijke gedeelte bij de Rijn, de Maas en de Schelde, terwijl anders in karakter en hoger land, was onderwerp van onophoudelijke oorlogvoering door de boosaardige Fransen en bloeddorstige Spanjaarden, maar in weerwil daarvan gedijden de inwoners en werden welvarend. Geen bloediger verhaal werd ooit vastgelegd dan de eindeloze strijd van de heldhaftige, moedige en doorzettende Hollanders tegen de tirannen van Spanje en Frankrijk om vast te houden aan hun liefde voor vrijheid en hun hartstocht voor onafhankelijkheid. Onder de wreedheid van de hertog van Alva en het woedend makende fanatisme van Philips II heeft de historicus Thomas Grattan het volgende te zeggen. – “Geschiedenis biedt geen voorbeeld van vergelijkbare gruwelen; want waar groepswraak op andere momenten heeft geleid tot scènes van woede en terreur, rezen ze, in dit geval, tot de gemeenste begerigheid en de meest koelbloedige wreedheid, waarvan we zouden denken dat ze het menselijk ras vreemd zouden zijn. Niet alleen de soldaten en het gewone volk werden afgeslacht, maar ook onder de meest welvarende burgers werd met ongelooflijke wreedheid een dagelijkse slachting aangericht, met als doel voor ogen de totale uitroeiing van het Nederlandse ras. Geen volk in Europa kreeg meer te verdragen; maar in weerwil van deze onophoudelijke inbreuk op hun

 

120

 

vrede, was er geen volk vlijtiger en voorspoediger, terwijl ze hun gereedgemaakte koopwaar naar de verste uithoeken van de aarde stuurden. Engeland stuurde haar wol naar hen om omgezet te worden in prachtige stoffen voor de adel. Naties van ver en nabij stuurden hen hun materialen om er kostbare juwelen en huishoudelijke meubelen en artikelen door het vernuft en de bekwaamheid van de Nederlandse handwerkslieden. Zij vormden het strijdtoneel voor het streven van alle volkeren voor de hoge principes van onafhankelijkheid en vrijheid, religieus, sociaal, economisch en politiek. De onderdrukten van alle landen keken naar de lage landen voor bijstand, aanmoediging en gastvrijheid in hun strijd voor vrijheid en individuele rechten. We moeten ons herinneren dat het vanuit de havens van dit kleine land van onafhankelijkheid was, dat veel van de vroegste kolonisten van Amerika zeil zetten, ontvlucht naar zijn gastvrije havens om aan boord te gaan naar de nieuwe wereld waar Locke’s soevereine rechten van het volk bestemd waren om gegrondvest te worden, in weerwil van vergelijkbare conflicten met verdorven heersers, de grootste Republiek op aarde.

Het was in dit minuscule land van intellectuele en religieuze vrijheid, met zijn ontelbare grachten, moerassige velden, vreemde architectonische schoonheid, verrukkelijke prachtige bloemen, dat mijn echtgenoot werd geboren op 8 december 1868, in de stad Kampen, dicht bij de grote uitgestrektheid van de Zuiderzee. Hij was de derde jongen in een gezin van vijf. Zeker geen idyllische omgeving. Ik zou nogal prozaïsch willen zeggen, met de onbuigzame werkelijkheden van het leven in al zijn ernst altijd vooraan en veel

 

121

 

avontuurlijkheid in spe. De vroegste herinnering die hij had is illustratief voor dit soort van leven. Ik citeer het in zijn eigen woordgebruik dat hij vaak vermeldde: “De intuïtie, als ik het zo mag noemen, maar waarschijnlijk meer een trekje van een geërfd karakter, want de avontuurlijkheid in het leven manifesteerde zich als een ingewortelde inslag van mij. Mijn vroegste herinnering op deze alledaagse wereldbol was van deze aard en ook nog een schokkende ervaring, die mijn leven daar en op dat moment had kunnen beëindigen. Ik was net twee jaar oud, Moeder en ik bezochten grootmoeder die woonde aan één van de talrijke grachten van de stad, die de kanalen waren van handel en handelsverkeer in Nederland. Grootmoeders huis stond dicht bij dat van ons in de stad Kampen, een culturele stad and handelsmarkt aan de rivier de IJssel. Ik slaagde erin te ontsnappen aan de altijd waakzame ogen van mijn moeder, zoals kinderen een gewoonte hebben om te doen, en geraakte buiten in de achtertuin waar ik werd aangetrokken door enkele prachtige zwanen die gracieus in de gracht zwommen aan het einde van de tuin. Angst speelde klaarblijkelijk geen rol in deze gebeurtenis. Het was de schoonheid en bevallige elegantie van de witte zwanen die me in bewondering en eerbied hield. Instinctief haastte ik me om mij bij hen te voegen aan de oever van de gracht om één van hen te zijn rond cirkelend op het rimpelloze water! Ik gleed gemakkelijk van de oever in het water! Gelukkig rende op dat moment mijn moeder uit het huis en greep me mij mijn kleine benen en sleurde me in veiligheid! Ik denk dat ik van die onderdompeling moet hebben genoten, omdat ik altijd in mijn leven nadien van water gehouden heb. De oceaan overstekend, of zeilend op het meer, of roeiend op de rivier vorm-

 

122

 

den het hoogtepunt van weergaloos geluk en plezier, en nooit een onbehaaglijk gevoel noch een slechte afloop.

(noot: Ook dit incident verdient een nadere toelichting. Ook hier is het geheugen van professor Kroeze niet geheel betrouwbaar gebleken. Voor wie Kampen enigszins kent weet dat er in Kampen wel degelijk sprake is van grachten. Onderstaande plattegrond maakt dat wel duidelijk.

 

 

 

 

Wat echter uit deze plattegrond ook blijkt is dat het verhaal van Barend niet helemaal klopt. Hij beschrijft dat hij woonde in de Nieuwstraat en dat het huis van zijn oma dicht bij zijn huis lag. Uit zijn verhaal blijkt dat het huis van zijn oma een tuin had die lag aan een gracht. Er zijn in Kampen twee grachten. De ene is de Burgel die dwars door de stad loopt. De andere is de gracht die om de stad heen loopt. Van beide grachten is echter duidelijk dat er geen tuinen aan deze grachten hebben gelegen. Aan weerszijden van de Burgel loopt namelijk een straat (Burgwal en Vloeddijk). Hier komen dus geen tuinen uit op de Burgel. Ook aan de gracht die om de stad heen loopt  grenzen geen tuinen. Deze gracht wordt aan de ene kant begrensd door het stadsplantsoen en aan de andere kant door de Singel. Het is echter uiteraard voorstelbaar dat het geheugen na zoveel jaren een wat vertekend beeld geeft). Onlangs bleek mij in een gesprek met de 91-jarige Beiske Kroeze dat er nog een andere verklaring zou kunnen zijn. De grootouders van Barend zouden volgens haar hebben gewoond in de Groenestraat. Aan de achterzijde van die woningen liep waar nu de huizen staan langs de Ebbingestraat een brede sloot. Dat kan best het water zijn geweest waarop hier wordt gedoeld.

 

            De vraag rijst of dit incident een voorteken was? Op de een of andere manier komt het me voor dat dit het geval moet zijn geweest, want het onmogelijke wagend, en de vasthoudendheid en stoutmoedige geest als karaktereigenschappen zijn bij hem altijd in het oog vallend geweest. Als de jaren voortrollen, maakten het doel om te presteren, de moed om gevaren onder ogen te zien, onverschrokkenheid in de aanwezigheid van noodsituaties, de vastberadenheid om niet op te geven en te zegevieren bij een klaarblijkelijke nederlaag, kwaliteiten van hart en geest die geen twijfel duldden. Het is interessant om aandacht te schenken aan zijn houding over dit vroege voorval dat hem zijn leven had kunnen kosten. Veel van zijn vrienden beweerden met klem dat dit geen authentieke herinnering aan een ervaring zo vroeg in zijn leven kon zijn, maar dat het louter een indruk is verworven door veelvuldige herhalingen in zijn aanwezigheid door een liefhebbende moeder en de angst die het haar gaf, maar een dergelijke manier van redeneren schonk hem geen voldoening. “Ik ben er van overtuigd”, zou hij zeggen, “dat het een kwestie van geheugen en ondervinding. Wanneer in de geschiedenis van het leven slaat het uur waarop het geheugen zich doet gelden en registreert het, als met onuitwisbare inkt, feiten en schrikwekkende ervaringen op het schrijfblok van geest en hart? Zonder twijfel bij sommige mensen eerder dan bij anderen met kracht en aanleg. Het geheugen wordt gecreëerd bij de geboorte en gebakerd in de ziel gelijktijdig met de intellectuele groei van de geest. Walter Scott ging zich niet te buiten aan hersenschimmen toen hij zijn ervaringen in Bath op een leeftijd van minder dan drie jaar vastlegde en de levendige indrukken

 

123

 

die hij had van het uitstapje van huis voor zijn gezondheid. Nee, in het geheel niet. Voorvallen zoals deze, geloof ik, weven om zich heen in bewustzijn een atmosfeer en gevoelens die nooit kunnen worden vergeten en vormen een intiem onderdeel van het leven zelf en kunnen niet opzij gezet worden als louter herinnering aan herhaalde opsommingen van vrienden en participanten in latere jaren. Geheugen is voor mij eeuwig, onverwoestbaar en kan nooit vernietigd worden – het fundament van de ziel. Het begint met de geboorte en heeft geen einde.”

Kort na dit avontuur vond een ander voorval plaats waarbij het geluk de familie toelachte. Het kwam in de vorm van nieuws van opperste importantie voor hen allen en waarvoor hij nooit ophield dankbaar te zijn – Nederland te verlaten en te verhuizen naar de Verenigde Staten van Amerika als vaste verblijfplaats.

Het schijnt dat zijn vader een jaar eerder naar Amerika was vertrokken om een zakelijke onderneming te vestigen in Grand Rapids, Michigan. Als hij succesvol zou zijn dan zou hij een huis bouwen. Hij bouwde een huis aan South Lagrave Street, en nu dit klaar was en gemeubileerd, liet hij de familie overkomen om zich met hem te verenigen in het nieuwe land van belofte en vrijheid – een wonderbaarlijke en met vreugde en succes beladen verandering. Zijn vader was de eigenaar van de gasfabriek in Kampen. De fabriek was gelegen aan een gracht. De vroede vaderen hadden een besluit genomen dat de tanks verzonken moesten worden. Iedere poging om de enorme tanks te verzinken bewezen een mislukking te zijn door het onophoudelijk sijpelende water dat elk beschikbaar apparaat in de war bracht. Uiteindelijk zich de nutteloosheid van de taak realiserend,

 

124

 

verkocht hij zijn zaak en vertrok naar Amerika om opnieuw te beginnen en een huis te vestigen waarin hij zijn familie kon grootbrengen. Hij was een vriendelijke, bedachtzame en competente man, niet genegen om een volksverhuizing met zijn hele familie te riskeren voordat er een huis voor hen gebouwd zou zijn. Dat was een gewaagde zet van zijn kant – gebaseerd op tegenspoed. Maar zoals zijn oom hem in 1922 in Kampen vertelde – “Je vaders tegenspoed was jouw geluk!” In deze dagen van gemakkelijke en snelle reizen kunnen we nauwelijks begrijpen hoe de moeder met drie kinderen die reis in het duister kon maken. Het vergde zeker enige heldhaftigheid om het te doen. Waarschijnlijk werd ze opgemonterd door de grootse verwachting om haar echtgenoot weer te ontmoeten en dat in een land dat in die tijd zo wijd en zijd werd aangekondigd als het fantastische land van mogelijkheden en vrijheid en voorspoed. Ook waren er, zonder twijfel, enthousiaste brieven van de bezorgde vader, die deze kleine groep er volledig op voorbereidden om elk gevaar of ontbering onder ogen te zien om de begeerde veilige haven van vrede en hereniging te bereiken. De knaap uit onze biografie zei – “Ik herinner me delen van die tocht behoorlijk helder. Het was geen geheel probleemloze reis, en we hadden veel moeilijke omstandigheden bij onze aankomst in New York. Ik herinner me in het bijzonder hoe mijn vader me in zijn armen nam bij het depot en me stevig omhelsde met een vreugde op zijn gezicht van overweldigende verrukking. Hij uitte woorden van dankzegging dat we weer allemaal samen waren in een land waarvan hij blij was het als tweede vaderland te hebben voor zijn grootsheid en vrijheid. Het was een waarachtige thuiskomst na een lange en beangstigende afwezigheid van elkaar. Het vooruitzicht leek zeer gunstig voor ons allen.”

 

125

 

Hoofdstuk II

 

JONGENSDAGEN

 

            Grand Rapids, Michigan, was een westelijke zich snel ontwikkelende stad in die dagen en als een enorme volwassen jongen in korte broek erg onbeholpen, met maar weinig van de verzorgde aspecten van ontwikkelde steden. Het was een typische westelijke stad op de beschavingsgrens, een fabrieks- en houtcentrum, een opkomende meubelmarkt, rumoerig en vrij met al de verdorvenheden en zonden van houthakkersge-meenschappen. Waarschijnlijk de grootste meubelmakende fabrieken in Amerika waren toen snel aan het bouwen en lieten de mooiste en kostbaarste meubelen op het westelijk haflrond de deur uitgaan. Zulke fabrieken als De Phoenix en New England en anderen lieten al verfijnd meubilair in walnoot, berkenhout, vogeloog esdoorn, notenhout en mahonie de deur uitgaan, en verscheepten het zelfde naar verschillende delen van de wereld. Deze fabrieken gaven werk aan duizenden arbeiders, handwerkslieden, en minder geschoolde mensen. Er waren eveneens grote houtzagerijen die de Grand River begrensden. Twee enorme kanalen flankeerden de oostelijke en westelijke oevers van de rivier, gebouwd hoog boven de rivier zelf, gevoed door een grote dam stroomopwaarts en ontworpen om overvloedig water te verschaffen aan de houtzagerijen en fabrieken. Op zomerse

 

126

 

dagen stelden jongens zich op langs de kanalen om de houthakkers de drijvende boomstammen naar de diverse houtzagerijen te zien manoeuvreren. Het was een prachtige sport om naar de houthakkers te kijken, maar veel van de meer wagende jongens staken een handje uit bij het laten ronddraaien van de boomstammen en daagden elkaar uit om ze zo snel te laten ronddraaien dat ze met een vaartje het water in vlogen. Het was een spel van geluk en bekwaamheid. Het werd meer dan een sport. Ze gokten op wie het langst op de rondtollende boomstammen zou dansen. Deze grote houtzagerijen voorzagen de hele stad van houtblokken om de huizen mee te verwarmen en de keukenfornuizen te voorzien. Jongens verdienden zakgeld door van huis tot huis te gaan met zaag en zaagbok om de blokken in kleine stukken te zagen.

            Zoals de meeste grenssteden, waren ook de straten begrensd met bars en gokhuizen en plaatsen van zedeloosheid. Niet het minste tijdverdrijf voor de jongens bestond uit het bekijken van werklieden, na hun dag werk, over de straat wankelend en hulpeloos liggend in de goten. Het leven was vrij en als er al politieagenten waren om te waken tegen ordeloosheid, dan waren ze in het oog lopend door hun afwezigheid. Meevoelende omstanders zetten zo nu en dan de met rum doordrenkte slachtoffers op hun voeten en loodsten ze naar hun somber stemmende huizen. In zijn latere leven verhaalde de jongen uit dit verhaal uitvoerig over deze aanblikken en zei – “Ik herinner me hoe zulke taferelen diepe gevoelens van afschuw aanwakkerden in mijn jeugdige geest. Een man die enkele deuren van ons huis woonde in Lafayette Street, waar mijn vader een nieuw en grote huis had gebouwd, passeerde zelden ons huis vrij van de effecten van vergiftigende drank. Hij was een schilder en goed in zijn vak als hij nuchter was.

 

127

 

Hij had een prachtig klein hondje dat zijn loyale metgezel was en dat hem vaak naar huis leidde wanneer zijn wankelende stappen het lieten afweten. Dit kleine witte hondje was een echte gids en ik speelde vaak met hem. Hij was buitengewoon toegewijd en gehecht aan zijn meester alsof hij voelde dat hij verantwoordelijk was voor zijn veiligheid. Sommige honden zijn zo. Deze was in het bijzonder zo. U kunt zich dan ook mijn afschuw voorstellen toen op een keer laat in de middag ik op het voorhek leunde en ik deze man zag aankomen met zijn waggelende passen, zo nu en dan op de grond vallend of zich overeind houdend tegen een boom, doordrenkt met alcohol and verblind in dronkenschap. Iemand had een hondenriem gebonden aan de halsband van de kleine hond en die vastgemaakt aan zijn lichaam vermoedelijk in de hoop dat de trouwe hond hem naar huis zou brengen naar zijn weerloze vrouw. Maar wat me met afschuw vervulde was de aanblik van de hond. Hij was bedekt met bloed met zijn keel doorgesneden. Een rode halsdoek / zakdoek was om zijn nek gebonden. Maar in weerwil van deze waanzinnige wrede verdorven stoot in zijn delirium de trouwe kleine hond probeerde hem terug naar zijn huis te leiden. Telkens weer viel de kleine hond in zijn verzwakte conditie op straat. Ik was veel te bang om het hek te openen en hem verder te helpen terwijl de man langzaam er in slaagde te passeren uit angst dat hij zijn mes tegen mij zou gebruiken. Zulke scènes laten vreselijke indrukken na op jeugdige geesten. We spreken vaak over de invloed van de omgeving, of het kwaad zoals dit indrukken voor of tegen registreert op de schrijfblokken van geest en hart van onze jongeren. Vanuit mijn observatie zijn zulke zonden slecht voor de zeden van onze jongeren. De omgeving is een

 

128

 

Belangrijke factor in de opvoeding. De krachten van onze omgeving beïnvloeden het hart en de geest met nauwelijks waarneembare maar eisende kracht, geven voorkomen en kleur aan onze denkwereld en moeten, daarom, in ons leven; op termijn het karakter van de mens en de beschaving vaststellen. Pochen zoals we doen over het genoegen van sociaal drinken en gezelligheid, de grens tussen dat en de geestelijke instorting in zwaar drinken kan niet worden vastgesteld. Geen enkele dronkaard stelt zich opzettelijk ten doel om er een te worden – hij wordt het. Drank is een kwaad in de maatschappij waarvan de weg onheil en ondergang is voor de mensheid.”

            Er waren, natuurlijk, krachten zowel ten goede als ten kwade in mijn woonplaats. Eén ervan was de YMCA in die tijd gevestigd op de tweede verdieping van een winkelpand aan de Monroe Street, één van de winkelstaten van de stad. De secretaris, een heer gevorderd in leeftijd, dhr. Rowland genaamd, was een onvermoeibaar werker en hield ervan om de nooddruftigen te helpen en om zowel jongens als mannen te inspireren om nobele en oprechte levens te leiden. Elke avond kon hij gezien worden, wanneer de arbeiders in een rij uit de houtzagerijen en fabrieken afmarcheerden, aan hen religieuze traktaatjes en uitnodigingen uitdelend om naar de studiezalen en de evangeliebijeenkomsten te komen. De YMCA was een plaats waar een groep gelijkgetemde jongens graag kwamen en het werd een toonaangevende invloed in hun levens. Mijn echtgenoot was één van hen en enkele interessante verhalen zijn vastgelegd. Hier is er één van: “Toen ik een highschool student was sloot ik me aan bij de Yokefellows Band van the Y en hield bijeenkomsten op aanwijzing van dhr. Rowland. Deze vonden gewoonlijk plaats op zondagmiddag in het Union Spoorwegstation

 

129

 

waar honderden arbeiders warmte en een gastvrije omgeving vonden en luisterden naar eenvoudige liederen en verhalen over Gods verlossende liefde en genade. Ze begonnen me de jongensprediker te noemen, hoewel het idee om er een te worden zeker ver van mijn gedachten stond. Ik heb er nu geen twijfel over dat deze eenvoudige inspanningen en contacten een krachtige stimulans vormden. Mijn vader was een zeer gelovig man en bestuurde zijn huis op basis van waarachtige verantwoordelijkheid voor religieuze scholing. Het maakte niet uit hoe jong we waren mijn vader hield ons allen zo veel mogelijk thuis en van de straat. Op zondagmiddagen was hij gewoonlijk het middelpunt van onze aandacht. Hij vertelde ons dan verhalen van eigen verzinsel en op een interessant of cruciaal punt in het verhaal stopte hij dan en zei hij, ‘We zullen dit komende zondag vervolgen’. Dan las hij ons voor uit de Bijbel en eindigde de dag met een familiefeestmaal. Dit was echter niet alles op een zondag. Elke zondag, het maakte niet uit hoe oud we waren, zag je ons in de kerk en op de zondagschool – de hele familie samen. Toen ik opgroeide en betrokken raakte bij de Y.M.CA. Stationsbijeenkomsten, daarna liederen zong bij een informele Yokefellow’s bijeenkomst, de Christelijke Inspanningsbijeenkomst van de Gereformeerde Kerk en de avonddienst bijwoonde, maakte ik wel eens de schertsende opmerking – ‘Het was een dag van religieuze losbandigheid’ . Of dit wel of niet het geval was het staat zeker in schril contrast met het continentale gebruik van de zondagen nu met commerciële basketbalwedstrijden, plezierritjes met de auto, de bioscoop, golf op de greens en wat niet meer. Waar vinden we de deugd in de moderne opvatting waar de familiekring

 

130

 

en kerk zijn gedegradeerd naar een ondergeschikte plaats en een overvloed aan sporten het toneel domineert? Ik beweer met klem dat de hedendaagse jeugdcriminaliteit direct geassocieerd is met het verval van de familiekring als het centrum van belang waar de ouders de werkelijke en waarachtige metgezellen zijn van de kinderen. Ik vraag me vaak af wat de uitkomst van onze beschaving kan zijn, waar de ouders zo onverschillig spreken over hun verantwoordelijkheden en met vreugde verheerlijken wat zij halen uit hun verschillende pleziertjes en activiteiten op de Sabbat dagen, daarbij inbegrepen de zogenaamde sociale verplichtingen als cocktailparty’s. Ik ben uitgesproken tegen inmenging van Staat en Gemeente in privé familieaangelegenheden, maar ik neig nog altijd naar de mening dat jeugdcriminaliteit, nu zo verschrikkelijk snel om zich heen grijpend in ons Amerikaanse leven, niet zal worden opgelost totdat – hoewel het ook inbreuk mag maken op de onschendbaarheid van de woning – strenge ouderlijke aansprakelijkheid tot wet is gemaakt. Wanneer ouders zouden worden gearresteerd als zou worden vastgesteld dat zij de jeugd die betrapt is bij kwaad en misdaad hebben verwaarloosd. En wanneer zij – in plaats van dat de samenleving opdraait voor de kosten – verplicht worden tot het betalen van boetes, dan zou er ongetwijfeld een grote daling in jeugdcriminaliteit optreden. Er is een schandelijk ouderlijk plichtsverzuim en er wordt niets aan gedaan. De kostbare herinnering die ik graag koester aan mijn vroege keven in de familiekring is de intense en bestendige belangstelling van mijn ouders in mij, wat zij voor mij deden, de idealen die zij zo geduldig en grondig inprentten. Ik ben er van overtuigd dat wanneer zulk leven in de familiekring universeel zou zijn, dit bevorderlijk zou zijn voor ons geweldige land en de wereld en dat de meeste van de verontrustende problemen van de wereld zouden worden opgelost.”

Toen hij een opgroeiende jongen was moet zijn voorliefde voor het buitenleven

 

131

 

en de natuur een diepe passie zijn geweest. Het moet zich al vroeg geopenbaard hebben zoals kan worden gezien in een interessant verhaal dat hij nauwkeurig beschreef in een brief aan zijn kleinzoon kort nadat hij met pensioen ging van zijn actieve universiteitsdienst. Hoewel het lang is schep ik er genoegen in het volledig te citeren, om zijn onthullende karakter en menselijk belang.

 

7 juni 1949

 

Mijn lieve kleinzoon Robert.

 

Vandaag is je verjaardag Ik stuur je mijn gelukwensen met de beste wensen voor nog vele goede jaren. Terwijl ik je mijn gelukwensen stuur, voel ik me verplicht om je een verhaal te vertellen, een zeer eenvoudig, maar waar gebeurd verhaal, waarvan ik hoop dat je er iets van waarde in zult vinden en een aanmoediging om veel in de buitenlucht e leven, waar je de natuur in al zijn schoonheid zult vinden en klaar om je gezondheid en kracht en verheven gedachten te schenken. Hier is het verhaal.

 

DE BROEK

 

Deze torenhoge bomen zijn hemels harpen

En door deze grote dennentakken

Ademen de vier winden een symfonie

Van goddelijke harmonieën

 

Elke boom een toren, elk bosje een altaar

De bossen een enorme tempel

En God is altijd hier aanwezig –

Niet iets uit het verleden

 

GRANT UTLEY

 

Het was een prachtige maanverlichte nacht vele jaren geleden. Zijn

 

132

 

Wekker sloeg het vroege uur van twee. Behren (voor Barend) een jonge knaap verhief zich haastig uit zijn slaap, geeuwde en wreef zijn slaperige ogen. Hij kleedde zich haastig, maar niet helemaal zo snel als voorheen wanneer de zondagmorgen hem begroette en hij zich voorbereidde op de gebeurtenissen van het resterende deel van de vroege morgen, want hij trok voor de eerste keer een nieuw donkerblauw pak aan, waar hij naar verlangd had en waarvan het kopen ervan door zijn vader en moeder hem zo buitengewoon opgewonden had. Zie je – sinds de tijd dat hij een kleine baby was, had zijn toegewijde moeder al zijn kleren voor hem gemaakt om zijn kleine en groeiende lichaam te bedekken, net zoals zij had gedaan voor de andere kinderen. Zijn kleren waren nooit nieuw. Ze werden voor hem gemaakt door de bekwame en geoefende vingers van zijn moeder uit de kleren die waren opgegeven door zijn twee oudere broers of waar ze waren uitgegroeid. Nu voor het eerst had hij zijn eigen pak, nieuw en gekocht in de winkel door zijn ouders. Hoe trots was hij! Dit pak was helemaal van hem! Niet langer hoefde hij opgegeven kleren te hebben met kniebroeken. Dit pak had een lange broek die helemaal tot zijn enkels reikte. Wat een verandering! Hij kon nu zijn kleine buik opzetten en zijn vrienden tonen hoe groot hij was en trots als een man. Deze morgen was daarom de grote ochtend van zijn dromen. Dus duurde het een beetje langer om zich aan te kleden en het was ook ongehoorzaam ten opzichte van zijn moeders bevelen. Zij had hem gewaarschuwd het nieuwe pak niet aan te trekken tot nadat hij en zijn vriend Fred terug zouden komen. Maar hoe kan hij de verleiding weerstaan om zichzelf helemaal gekleed in een prachtig nieuw pak met lange broek te zien en eindelijk Fred te tonen hoe hij

 

133

 

Zijn kleding kon evenaren. Fred was een jaar ouder en droeg al een tijdje een lange broek.

            De hele zomer stond hij ’s zondag ochtends al op dat vroege uur op om een wandeling te maken et zijn vriend, een schoolkameraad. Ze zwierven door de bossen en heuvels die de stad Grand Rapids omringden, elke zondagmorgen voordat de slaperige stad ontwaakte en ze keerden terug naar huis wanneer de kerkklokken galmden om de mensen tot de eredienst te roepen. Zij hadden een eredienst buiten in de natuur en dronken de ziel aangrijpende schoonheid om hen heen in; hoorden Gods stem in de roep van de vogels en zagen zijn glimlachende gezicht in de kristallen flikkering van het meer en hen een teken gevend vanuit de blauwste zomerhemel. Dus hij pakte zijn wild west pistool, dat in die tijd een “ruiterpistool” werd genoemd, met alle zes cilinders gevuld met kogels. En schoof het tussen zijn blouse en broek. Hij trok zijn pet over zijn hoofd en ging langzaam en zachtjes op zijn tenen de trap af om de anderen in het huisgezin niet te wekken. Hij trok aan het touwtje verbonden met de bel bij het huis van Fred en de twee gingen op weg voor een heerlijke wandeling.

            Deze keer was het eerst Penny’s Hill waar zij in de winter langs de lange beboste heuvel een paar mijl omlaag gleden op hun sledes. De beboste heuvel was gebaad in glorie in het maanlicht schaduwen werpend van de bomen in telkens veranderende vorm langs hun pad. Zo nu en dan schreeuwden ze alleen maar om hun stemmen te horen in weerklinkende echo’s en met vreugde te luisteren naar denkbeeldige voorwerpen verbeeldingsvol gevormd alleen maar voor het plezier. Maar deze bossen waren in de stad en grotendeels beroofd van leven met

 

134

 

uitzondering van een paar vogel. Dus haastten ze zich om de stad te doorkruisen naar het noordwesten waar de echte bossen waren, wemelend van interessant leven en met valleien en heuvels en incidenteel een ravijn. De stad was gehuld in lichte bewolking, maar de maan stond hoog en hield een nachtwake met een vriendelijk gezicht over de slapende bevolking. Nu en dan blafte er een hond en die rende weg rond een huis grommend terwijl hij dat deed, zich waarschijnlijk afvragend waarom iemand de stilte van de nacht zou willen verstoren op dit akelige uur. Was hij geen waakhond om de kalmte ’s nachts te bewaren? Behren en Fred gooiden geen stenen uit angst zaken erger te maken en gingen huns weegs zo snel als mogelijk. Zij ontmoetten een vriendelijke politieagent die zij al vaak hadden ontmoet tijdens hun ochtendwandelingen. Ze kletsten een paar minuten met hem, zoals zij vaak hadden gedaan. Ze vertelden hem waar ze die ochtend naar toe gingen en hij wenste ze een goede tijd en veel geluk. Hij wist alles over het ruiterpistool, want enige tijd eerder hadden ze het hem laten zien en uitgelegd waarom ze het bij zich hadden – voornamelijk om wangzakeekhoorns en eekhoorns en konijnen in het bos te schieten. De verschillende politieagenten die ze hadden ontmoet waren opgewekte kerels en vertelden hen verhalen over hoe ze jongens betrapten bij kattenkwaad en hoe ze mannen en vrouwen naar hun huizen begeleidden vanuit clubs en bars, stom dronken van bedwelmende alcohol in de vroege uurtjes waarop ze in bed zouden moeten zijn. Ze zeiden de jongens gewoonlijk om stil te zijn en de rust van de stad niet te verstoren. Dus begaven de twee zich verder in stilte door de kalme donkere straten naar de

 

135

 

Zoom van de stad in het noordwesten voor hun echte sport die ochtend.

            Net toen ze op het punt stonden om door hun hek te kruipen om het bos in te gaan riep een vreemde politieagent ze aan, een politieagent die ze nog niet eerder hadden ontmoet.

            “He daar, stop” schreeuwde hij, “Wat doen jullie jongens buiten op deze tijd van de nacht?”

            “We maken een wandeling voor onze gezondheid,” zei Fred.

            “O ja, vertel dat maar aan je grootmoeder,” zei de agent lachend.

            “Maar het is waar,” antwoordden ze beiden.

            “Moeten jullie een pistool bij je dragen tijdens een wandeling voor je gezondheid?” kwam de repliek.

            “Kom op, jullie kunnen me beter dat pistool geven en met me mee gaan naar het bureau.”

            Behren gaf hem het pistool en de politieagent zei –

            “Oh, dat is een ouderwets ruiterpistool. Hoe kom je eraan?”

            “Het is van mijn broer. Hij giet de kogels ervoor, zodat we kunnen schieten op eekhoorns en konijnen in de bossen tijdens onze zondagochtend wandelingen,” antwoordde Behren.

Toen sprak Fred – “Echt waar we doen niets slechts. Die politieagent op de hoek bij Jones kent ons en we hebben net met hem staan praten.”

            De politieagent gaf als weerwoord – “Goede jongens liggen in bed op dit uur, en ik ben net op zoek naar twee jongens die hier de afgelopen twee nachten op rooftocht zijn geweest. En daarnaast, een jongen die alleen maar buiten is voor een wandeling zou niet zo’n mooi nieuw blauw pak dragen.”

 

136

 

Terwijl hij sprak wees hij naar Behren en vervolgde-

            “Kom met me mee en we zullen zien wat de patrouille op de hoek van Jones’ te vertellen heeft.”

            Met die opmerking begeleidde hij de twee jongens die niet op hun gemak waren naar de politieman op de hoek van Jones’. Dit nam kostbare tijd in beslag en de jongens protesteerden, maar zonder nut.

            “zeg James,” zei Mike, de vreemde politieagent, “hier zijn twee jongens die ik betrapt heb door een hek sluipend het bos in en ik vond dit ruiterpistool op één van hen. Je weet dat we klachten hebben gehad van opschudding in mijn wijk de afgelopen twee nachten en ik vermoed dat ik de verdachten heb betrapt.”

            Deze boosaardige woorden kwetsten het gevoel van deze twee onschuldige jongens zeer, zij hadden niets schadelijks of verkeerds gedaan. Om verdachten genoemd te worden voelden zij zich in een klasse gezet waarvan zij hadden geleerd die te vermijden. Zij hadden thuis geleerd om fatsoenlijk te blijven en uit de handen van de wet. Ze vonden het vreselijk dat deze politieagent zulke taal gebruikte.

            De politieagent vervolgde – “Waarom zouden zee en pistool bij zich hebben? Waarom buiten op deze tijd van de nacht? Waarom zou deze een nieuw pak dragen op dit uur behalve om het als vermomming te gebruiken of omdat hij de hele nacht op is geweest in een of ander kattenkwaad? Ze zeggen dat ze buiten zijn voor een wandeling voor hun gezondheid! Wie heeft ooit gehoord van mensen die buiten zijn in de vochtige dauwige ochtend wandelend voor hun gezondheid? Het klinkt mij allemaal als onzin. Er moet een of ander heimelijk motief zijn. Wat zeg jij ervan James?”

 

137

 

            James had geen word gesproken. Toen hij Mike zag aankomen, met de twee jongens vermoedde hij dat Mike een heel verhaal te vertellen zou hebben. Dus hij grinnikte enkel en zei –

            “Wel Mike, je kunt de jongens beter laten gaan en hun ochtend wandeling niet verpesten. Ze zijn op deze manier buiten elke zondagochtend vroeg terwijl de stad in diepe slaap is, en ze zijn echt buiten voor hun gezondheid.”

            “Gezondheid” schreeuwde Mike, “Glorie, wie heeft ooit gedroomd van gezondheid in de maneschijn? Rustis slapen in bed is goed voor hun gezondheid.”

            “Wat zeggen jullie jongens daarop?” vroeg agent James.

            Toen sprak Behren iets op deze manier – “Here, God toont glorie in het maanlicht net zoals in het zonlicht. Onze zondagschool leraar zei, ‘God in mijn ziel gij dierbare verlosser; het is geen nacht wanneer gij bij mij bent.’ Wanneer de maan ondergaat in het westen zendt hij vaarwel groeten aan de stille aarde in een grootse glimlach die strepen maakt in de enorme hemel met reinigende stralen van zilverwit licht in glorierijke waardering als hij hemel en aarde overstroomt met zijn omvangrijke glorie van schoonheid en liefde. We kijken graag naar dit vertrek van de maan nadat hij de wolken in de hemel geschilderd heeft in tinten van schitterende kleuring, en dan de zon te zien komen boven de oostelijke horizon zijn triomfwagen van paarden rijdend om de verkeersweg van de hemel over te steken en vreugde en troost brengend aan de mensheid. De vogels worden wakker en beginnen vol energie te ritselen en zingen voor ons krachtig hun kelen splijtend met hun lied, waarschijnlijk dankbaar aan de stervende maan

 

138

 

voor zijn waakzame zorg gedurende de nacht en gelukkig om de stralende zon te opnieuw te zien uitbarsten. De konijnen beginnen te spelen en grappen te maken; de eekhoorns tjirpen en reppen zich naar hun ontbijt van hazelnoten en spelen verstoppertje rondom de bomen. De wangzakratten zitten op hun hurken en kijken zo helder en wijs alsof ze zeggen, ‘Ik zie je, maar je kunt me niet pakken!’ We wandelen graag door de diepe ravijnen en horen de echo’s van onze stemmen in de diepte van het bos. Onze leraar heeft ons verteld dat we fossielen konden vinden in die ravijnen van een vroeg tijdperk toen grote gletsjers, echte stromen van vast ijs, door de bergen ploegden en de fossielen van de Lorentian Rocks van Canada met zich meebrachten hier naar toe. Hij vertelde ons dat deze gletsjers deze grote heuvels hadden gevormd en dat ze de laatste opeenhoping van gletsjerpuin worden genoemd. Als de hele natuur wakker wordt uit de slaap van de nacht met het opkomen van de zon, wat voor kwaad steekt er dan in dat wij jongens ook wakker worden en de bossen in gaan om de zoetste melodieën van de aarde en hemel in harmonie met de schoonheid en het ritme van onze zielen te horen? Dit is zondagmorgen en terwijl zo veel mensen vroeg naar de kerk gaan en een godsdienstoefening houden in een bedompte atmosfeer, houden wij ervan om te zitten en te wandelen en te bidden in de grootste van alle kerken onder de torenhoge gewelven van de bomen niet gemaakt door de hand van de mens, maar door de kracht en adem van God.”

            Toen Behren eindigde met ontroering zei politieagent James –

            “Deze jongens, Mike, zijn hier iedere zondagmorgen buiten en zien meer van God en zijn goedheid dan wij. Wij zoeken naar dieven en criminelen van allerlei soort, arme zielen verloren in zonde, die

 

139

 

De nacht doorbrengen in holen van verdorvenheid en kwaad. Deze jongens zijn buiten om hun plicht aan God te doen; zou de hele wereld maar hetzelfde doen en hun zielen verrijken door God te aanbidden, die de natuur gemaakt heeft, die de hemel overspannen heeft en de harmonieën van het hemelgewelf heeft gestemd. Ik zou wensen dat ik van mijn ronde weg kon en de dag met hen kon aanbreken in de bossen, Tot ziens jongens, loop maar door.”

            Eindelijk weer vrij haastten ze zich om de verloren tijd weer in te halen. “Je preekte nogal tegen ze,“ zei Fred. “Ik wed dat je dominee dat graag gehoord zou hebben.” Behren lachte toen ze verder liepen, “Och, ik weet het niet, maar ik hoop dat het Mike goed zal doen. We hebben tijd verloren, maar we zullen nog altijd iets van de glorie van de dageraad zien.” Weer vrij zijn voorspelde een grote verheffing van de ziel, want deze twee jongens waren bijzonder dol op de natuur en het buitenleven, waarschijnlijk verder ontwikkeld op hun leeftijd in zowel kennis als de ziel van natuurlijke verschijningsvormen met hun verwikkelingen dan de doorsnee jongens van dezelfde leeftijd. In hun vele wandelingen de hele zomer hadden ze vele opwindende ervaringen, zoals slechts mensen die kunnen hebben die week in week uit vele vroege uren van sluimering opofferen om zich één te voelen met de natuur in haar uiteenlopende stemmingen. In de natuur vonden ze bevestiging van de verlangens van hun ziel – de verlangende behoefte naar schoonheid, de vaste overtuiging van het nederige geloof hen geleerd door hun ouders, en de lessen op school wanneer hun leerkrachten hen de dingen verklaarden die ze hadden gevonden en gezien in de bossen, in de ravijnen en regengeulen, die ze keer op keer verbaasden. Ze hadden regelmatig de schelpen naar school gebracht

 

140

 

die ze hadden bemachtigd tijdens hun expedities. Ademloos hadden ze geluisterd naar de uitleg van hun leerkrachten over hoe eeuwen geleden grote gletsjers ronddwaalden door de valleien en de heuvels vormden waar ze deze schelpen hadden gevonden, bestempeld als armpotigen en plaatkieuwigen nu uitgestorven, maar daar gebracht door de gletsjers en afgezet als wat hij noemde zijtak- en eind morenen. Op deze bijzondere morgen vonden ze iets nieuws en heel vreemds, dat ze meenamen naar hun leraar de volgende morgen. Hij vertelde ze dat het een trilobiet was. Hij vertelde dat het een grote ontdekking was, want ze waren zeer zeldzaam in die heuvels. Hij liet ze de betekenis van het woord zien van de drie kwabben die het lichaam vormden het oude visachtige dier. Het had een inktvisachtig gevormd hoofd met twee grote uitpuilende ogen, elk oog gemaakt van talloze kleine ogen Het had ook een vinachtige staart. Ze vonden hem diep in het ravijn, ingesloten in iets van kalksteen. Ze waren in de zevende hemel toen ze het vonden.

            Ze zwierven gedurende enige tijd door de heuvels en vallei van het diepe bos, en gingen ten slotte op een houtblok zitten om het wonder van de hemel te bekijken wanneer de maan verdween en zijn heerschappij over de nacht overgaf aan de zon voor zijn heerschappij over de dag. Hoe waren hun kleine harten vervuld van extase als ze daar zaten en de grote gedaanteverandering zagen! De dageraad heeft zijn schoonheid en glorie net als de zonsondergang. Slechts weinigen zien de eerste terwijl duizenden de laatste zien en in dichtvorm de zeldzame schoonheid in de betoverende vertoning van kleur in de bewegende wolken van de zonsondergangen uitroepen – onbetwistbaar ‘brandende

 

141

 

Steden’ van de horizon. Deze jongens hadden ook vaak zonsondergangen gezien, maar het hun grote voorrecht om de glorie van de dageraad te zien, niet alleen in de meeslepende flitsen van de schitterende stralen van de hemelse strijdwagen zijn paarden mennend langs de oostelijke horizon, maar het toegevoegde regenboogkleurige panorama van de vervagende wolken uiteen gedreven door zijn betoverende licht. Van waar zij zaten konden ze de hele stad zien, plotseling overspoeld door de glorie van karmozijnrode schoonheid. De bomen schitterden zilveren briljanten nat van de ochtenddauw; het gras een massa van groen tapijtstof, bezet met glinsterende diamanten. Deze wonderen van het aanbreken van de dag vervulden hun harten met blijdschap. De bomen torenden hoog hun takken omsluitend als een groot schip van een kerk. Ze bogen hun hoofden in aanbidding in de grote Kathedraal van Gods overweldigende handwerk – groter dan welk heiligdom dan ook, dat welke architect dan ook ooit had ontworpen en prachtvoller dan gebeeldhouwd beitelwerk ooit had gesneden. Hoewel ze de woorden niet konden formuleren voelden hun harten dat dit de natuur op zijn best was en dat dat vroeg om de overtreffende trap om het te beschrijven. Onwillekeurig riep men uit volle borst – ‘Wie kan twijfelen aan de goedheid van de Heer en de schoonheid van zijn heiligheid?’ Ze voelden zich zoals mijn vriendin Neeta Marquis zich voelde toen een boom werd geplant in de botanische Canon in Californië in 1929 ter herinnering aan Edward MacDowell en zij haar gevoelens uitte in deze sublieme woorden –

 

142

 

Grote bomen zijn net als grote mannen, hun geesten verheffen zich hoog

In de richting van de sterren, onveranderd door grillige dagen,

Iedere opgeheven helmpluim in zuivere en lieflijke kracht

Het kreupelhout van kleine manieren afwijzend

 

Grote bomen zijn muziekanten als ze lenen

Van ’s waters lyrische lach hun ruisende klank,

Of, stormen het hoofd biedend, zoals liefde smart uitzingt

Ze doen weerklinken machtige fuga en antifoon

 

En bomen zijn een tempelachtige bidkapel

Waar de mens smeekt, en God zich verwaardigt te antwoorden,

Hun gebeeldhouwde takken – de glorie van een meester-artiest –

Ontspringend in nobele gewelven aan de hemel.

 

Aldus brachten zij die gedenkwaardige morgen door. Nu en dan kruiste een aardeekhoorn hun pad, een eekhoorn schoot weg rond een boom; een wangzakrat begroette hen als een standbeeld rechtop zittend op zijn billen en zijn gezicht gekronkeld in een enorme glimlach. Ze vulden hun zakken met hazelnoten en beukennootjes en begonnen terug te keren naar huis. Toen ze de rand van de bossen hadden bereikt en door de draadafrastering kropen, zagen ze een eekhoorn spelen op het voorgazon van een boerderij. Behren kon de verleiding niet weerstaan een steen te gooien alleen maar voor het plezier. Ongelukkigerwijs echter zag hij een rol prikkeldraad in het gras over het hoofd toen hij de steen ophief stapte hij erin, en tot zijn afschuw scheurde hij zijn nieuwe broek! Die hing langs zijn benen in rafels! Hij ging op de grond zitten en huilde – zijn trainen stroomden langs zijn kleine gezicht. “Mijn nieuwe broek! Oh kijk Fred, wat zal mijn moeder zeggen?” Het vervolg van dit verhaal en tragedie wordt aan je verbeelding overgelaten!

 

143

 

            Hoe triest en tragisch deze wandeling ook bleek te zijn, vergeet niet de feitelijke waarde van het verhaal. Een vroege wandeling in de morgen wanneer de lucht fris is, is meer dan alleen maar verkwikkend; het stelt iemand in staat de verrukkelijke loomheid te ervaren van wat we mogen aanduiden als natuurlijke gezonde vermoeidheid, die over een persoon kruipt haast onmerkbaar en onbewust als geen ander fysiek genot. Langdurige lichaamsoefening in de open lucht is het meest kracht producerende medicijn dat ooit is ontdekt, het is het universele geschenk van de natuur aan de mens. Neem een goede dosis ervan, mijn jongen, zolang je jong bent; het zal je compenseren met nog grotere zegeningen dan alleen een goede gezondheid. Dit is mijn verjaardagsboodschap aan jou.

Met oprechte genegenheid,      Grootvader Kroeze.

 

144

 

Deel III

 

OPLEIDING EN HET AMBT VAN DOMINEE

 

SCHOOL dagen zijn verrukkelijk voor de meeste van onze jongeren. Ze kunnen het zijn wanneer het huiselijk leven en zuivere aanmoediging de overhand krijgen samen met gezond verstand. Hij was er fortuinlijk in ze alle drie te hebben. Voor zover het bekend is hield hij van school en zijn verenigingen, en hield hij zich met alle bekoring en levenslust van veerkrachtige jeugd bezig met de normale routine van het leven en het spelen doorgaans gevonden onder jonge mensen. Hij was in extreme mate bescheiden en hield zich verre van veel in het stadsleven toonaangevende sociale voorzieningen, toe te schrijven aan het feit van zowel zijn extreme verlegenheid en zijn moeders angst voor de contacten met het overal wijd verspreide ruwe en vrije leven. De moeder was een intrigerende persoonlijkheid met de jongens van het huishouden. In feite, maakte ze het huis het werkelijke centrum van belang, voorzag ze van spelen, een goed uitgeruste werkplaats met allerlei soorten van gereedschap, een schitterende en dure machinale figuurzaag voor ingelegd werk; snij beitels, allerlei soorten hard hout en fineer voor meubilair en planken en speelgoed. Er bestaat geen twijfel aan dat zulk een aandacht hem en zijn broers, die ook met gretigheid aan deze plannen deelnamen, van veel van de dagelijkse verdorvenheden

 

145

 

met hun verlokkende aspecten weghield, en tegelijkertijd gewenste gewoonten van vlijt en kunstenaarstalent vormde. Als bewijs hiervoor stemde zijn vader er in toe dat hij een prachtige schuur achter in de tuin bouwde, een exacte kopie van het huis, met een hoog hek van latwerk van de voorkant tot om het kavel, zodat hij erachter dieren kon houden die niet zouden worden gezien door het publiek en er ook niet door gestoord zouden worden. Hij had een behoorlijke menagerie – een Franse Kentucky pony om paard op te rijden, drie moedergeiten, konijnen, eekhoorns, wilde kippen, prachtige bantammers, twee honden, een rat-terrier en een water-spaniel. Het werk

en aan zijn werkban nuttige voorwerpen makend, voor zijn menagerie zorgen nam vele uren uit zijn buitenschoolse tijd die jongens zo vaak doorbrengen in kattenkwaad en met het leren van slechte gewoontes. Terwijl het leven zich ontvouwde werd hij ambitieus om iets voor zichzelf te doen gedurende zijn vakanties, dus bracht hij enkele zomers door in verschillende fabrieken om wat geld voor zichzelf te verdienen. Eén zomervakantie werkte hij in een fabriek voor gebruiksvoorwerpen, Frost-Richmond Industry genaamd, en al spoedig toonde hij dat hij veel wist over mechanische kunsten. Voordat de zomer voorbij was werd hij meester werkman die allerlei soorten machinerieën bediende om huishoudelijke benodigdheden te maken. Tijdens een ander vakantie was hij tewerkgesteld in de Clay Veiligheidsspeldenfabriek. Eerst was hij inpakker, toen gepromoveerd tot het maken van de spelden met behulp van zeer complexe machinerieën. Deze baan kostte hem bijna zijn scholing, want toen de school opende in de herfst smeekte zijn wergever hem te blijven met een salarisverhoging. Zijn vader echter, stond er op dat hij de aansporing liet schieten. Uiteindelijk , zoals jongens doen, beloofde hij zijn vader

 

146

 

dat hij naar de avondschool in het Y.M.C.A zou gaan als hij nog een tijdje bij de fabriek mocht blijven.

Twee voorvallen moeten hier worden vastgelegd, die meer dan wat dan ook de richting van zijn toekomstige carrière bepaalden. Veel gebeurtenissen zijn gehuld in het blote geheim van het leven zelf, onverklaarbaar om nooit opgelost te worden. We formuleren woorden voor ze en baseren geloof op hun werkelijkheid. Als we verbijsterd zijn roepen we met Hamlet uit dat “een goddelijkheid onze doelen vorm geeft, ze ruw uithakkend zoals wij doen.” Waren deze twee voorvallen door de voorzienigheid ingegeven? Komt God tussenbeide in de intriges en plannen van de mens? Als ons geloof goed gegrondvest is, kunnen we of willen we dan wegkomen, van de onontkoombaarheid van Gods leiderschap in het leven? Is de toekomst slechts een kans met een hoop? Met deze twee ervaringen onuitwisbaar gegrift in zijn geheugen, kon hij zich nooit inlaten met welke levensbeschouwing dan ook die niet was gegrondvest op de alom aanwezigheid van God in het leven met zijn goddelijke geest leiding gevend aan de vorming van het karakter. Een van deze mijlpalen in zijn leven was de invloed van een grote man. De andere was een ernstige ziekte dicht bij de dood.

            Zijn frequente bezoeken aan de Y.M.C.A. studie- en leeszalen en gymnastiekactiviteiten brachten hem in contact met een opmerkelijke jonge man, een charmante persoonlijkheid, zeer vindingrijk, altijd blij en die nooit naliet de jongens te groeten met grenzeloze grootmoedigheid en een hartelijk welkom. Zijn naam was Mr. Ward. Wards huis was niet ver van zijn huis en niet zelden ontmoetten zij elkaar op de straat. Hij had een onophoudelijke glimlach en kletste zeer sympathiek alsof

 

147

 

hij zelf één van de jongens was, hoewel natuurlijk ouder. Hij toonde een oprechte belangstelling, een warme affectie, een stralende vriendelijkheid, met klaarblijkelijk alleen maar het hoogste welzijn van de jongens als doel. Was het iets van de aard van godsdienstigheid dat hem zo heerlijk tot hen aantrok? Was het het overtreffende van liefde dat niet gedefinieerd kan worden dat zijn persoonlijkheid weefde als een complex onderdeel in hun achting? Wie kan de macht van menselijke invloed inschatten? Zelfs wanneer geen moeite wordt gedaan om een ander te imponeren, geen poging wordt gedaan om een ander op welke manier dan ook te beïnvloeden, is er niet een of ander vuur dat voort vlamt met licht en levenskracht onontkoombaar van een goede man? Is er niet zo iets als een stille onbewuste invloed “zichzelf fotograferend op andere geesten?” Dat moet zo zijn. Er is een uitstraling van het goede of anders de hele tijd – karakter, kan niet worden verborgen. Wat een man is of niet is wordtr niet zozeer bekend gemaakt door woorden van de mond maar veel meer door manieren, gedrag, attitude – daden spreken luider dan woorden. Invloed, zowel stil als bewust gericht, is het aura van persoonlijkheid. In zijn latere leven schreef Dr. Kroeze de invloed van deze jonge man op en vertelde ook hoe een tragedie in het leven van Mr. Ward hem beïnvloedde. Ik zal citeren wat hij schreef:

            “Het was in mijn schooldagen dat de kracht van een werkelijke persoonlijkheid mijn leven in vervoering bracht. Zijn naam was mr. Ward, die ik ontmoette in het Y.M.C.A. Als groep jongens hadden we allemaal veel respect voor hem en bewonderden we hem zeer. Haast onmerkbaar raakte ik in de ban door zijn vriendelijke manieren tegen mij, en ik voelde vaak dat ik net zoals hem zou willen zijn. In feite, als was ik onder een of andere betovering,

 

148

 

merkte ik dat ik hem instinctief opzocht bij de Y alleen maar om hem te zien en van zijn gezelschap en de charme van zijn vriendelijke persoonlijkheid te genieten. Als een levenskrachtige jongere, met alle krachten van het leven door mijn aderen stromend, blootgesteld aan al de verleidingen van het stadsleven, met elke open deur van het kwaad zijn stank in mijn neusgaten sturend, vocht ik hard het moreel van groeiende volwassenheid puur en sterk te houden. De strijd was soms intens en innerlijk, onopgemerkt, onbekend. Maar de kracht van de waarneming van deze ene man las me door en door, zoals hij deed met elke jongere waarmee hij in contact kwam. Ik had gelezen over mannen die jongeren tot kwaad beïnvloedden, die jongeren volgden elk uur waarop ze wakker waren en die ouders maar al te graag hadden tegengehouden, als ze het zouden kunnen – bederf veroorzakend zoals ze deden aan de grondslag van hun bestaan. Ik had gelezen hoe Caesar, door zijn subtiele magie en persoonlijkheid, zijn portemonnee uit de handen van de dief had gepraat en hem zonder handboeien had weggeleid als een gewillige gevangen naar de gevangenis. Maar het was nu voor mij de eerste keer dat ik de kracht van een voelde van een gezaghebbende persoonlijkheid voor het goede, door een gedaante en een zachtaardige aanwezigheid, beminnelijk en puur, een stem die alleen maar vriendelijkheid kon uitspreken en een ziel overladen met de elektrische spanning van hemels talent.

            Het leek wel dat ik de Y nooit binnenkwam als hij daar was zonder een welkom, Het leek wel dat ik hem altijd op de straat of elders moest ontmoeten, soms zelfs als ik niet de minste behoefte had dat hij me zou zien, maar zijn overredende glimlach raakte steevast mijn ziel. Wat ik ook deed het was Mr. Ward, of iets in hem, dat me aangreep, me beheerste en me vasthield

 

149

 

en me beïnvloedde. Ik herinner me die fatale vierde juli vol tragedie en overwinning heel goed. Ik had mijn gebruikelijke geweldige dag gehad in de lukrake viering van onze geboortedag, toen een makker naar het huis kwam rennen en me vertelde hoe Mr. Ward toen hij aan het vissen en zwemmen was in de rivier werd gegrepen door een sterke stroming, of verzwakt door een kramp, en was verdronken en dood was thuisgebracht. Sprakeloos en verdoofd, en waarom weet ik niet, spoedde ik me naar zijn huis twee blokken verder om te proberen zijn koude bleke gezicht te zien. Ik kwam daar nooit aan, maar vond me zelf in plaats daarvan in mijn kamer. Het leek of mijn hele wereld om me heen in elkaar gestort was, dat alles waar ik in het leven om had gegeven was verdwenen. Opstandigheid vulde mijn ziel. Waarom moest hij sterven? Waarom moest mijn grootste vriend uitgekozen worden om heen te gaan? Hij hoorde bij mij! Mijn hard was vol genegenheid voor hem geweest – het was een persoonlijk verlies. Mijn verdriet was overweldigend, mij droefheid onbeschrijfelijk. De duisternis die in de kamer sloop was niet groter dan de duisternis en wanhoop die mijn ziel grepen. Ik viel op mijn knieën in wisselend en onsamenhangend gebed – als stromen van wroeging. Plotseling leek de kamer overspoeld met licht. Een grote vastberadenheid barstte los uit mijn ziel – Ik zal proberen als Mr. Ward te zijn! Mijn last werd opgetild. Een nieuw patroon van leven strekte zich voor me uit – een toewijding zoals deze nobele goedgunstige ziel die me had aangetrokken en beïnvloed om goed te doen zoals geen mens ooit had gedaan. De kracht van zijn persoonlijkheid sprak zich naar me uit, en ik onderging de sensatie van een ander soort van geboortedag – mijn geboorte in een wereld van het doel. Mr. Ward stierf, maar hij won. De kracht in hem werd de leidende stuwkracht

 

150

 

in mijn leven. Noem het zoals je wilt – een keerpunt, een overgang, een geheiligd verbond. Met onuitsprekelijke vreugde trachtte ik mijn vriend te evenaren – zijn deugden, zijn vriendelijke manieren, zijn passie om anderen te dienen. De feitelijke atmosfeer om me heen had een andere bedoeling. Iedere gedachte aan hem was een vervoering als een ademtocht uit de hemel.”

            Het moet kort na deze ervaring zijn geweest dat het andere voorval plaats had in de Y.M.C.A. gymzaal en dat absoluut zijn toekomstige carrière bepaalde. Hij was een atletische jonge vent en nam deel aan de uiteenlopende acrobatische toeren die gewoonlijk werden uitgeoefend in een gymzaal. Bij deze gelegenheid probeerde hij een nieuwe stunt – om een complete cirkel te maken in één van de vliegende ringen net zwaaiend om de cirkel te maken. Wat er gebeurde wist hij niet. Hij liet na de voorzorg te nemen om een landingsmat op de grond te plaatsen om de val te verzachten, als hij er niet in zou slagen de stunt te voltooien. Hij slaagde er inderdaad niet in; de volledige omwenteling terwijl hij zwaaide werd op de één of andere manier onderbroken, en hij viel hevig op zijn hoofd, waarbij zijn kin in zijn longen werd gestoten en hij werd bewusteloos opgeraapt met bloed stromend uit zijn mond. Hij werd naar zijn huis gebracht hevig bloedend, en hij bleef bewusteloos voor het grootste deel van drie dagen. Zijn eigen beschrijving van dit ongeluk is als volgt –

            “Drie artsen werden gehaald voor een consult. Ik werd me plotseling bewust van hun aanwezigheid aan de voet van het bed en hoorde één van hen opmerken, ‘Er is geen hoop.’ Wat het was kan ik niet zeggen, maar met de zwakke ademtocht en kracht

 

151

 

die ik nog bezat gooide ik er tot hun verbazing uit – ‘Ik wordt beter; ik zal leven!’ De strijd was een lange en pijnlijke. Verzwakt tot extreme broosheid lag ik op mijn rug gedurende zes maanden, en toen daarna werd het mij maandenlang niet toegestaan mijn kamer te verlaten. Mijn altijd vriendelijke en bezorgde vader bouwde mijn slaapkamer om tot een werkplaats, zelfs onze Fleetwood inlegmachine binnenbrengend, en bemachtigde voor mij allerlei soorten prachtig hard hout waarom Michigan toen beroemd was. Dag na dag legde ik me toe op het ontwerpen en maken van salonmeubilair met houtsnijwerk en ingelegde patronen – alles alleen maar op opnieuw een robuust gestel op te bouwen. Ik zal nooit die gedenkwaardige dag vergeten toen het mij met hulp van de dokter werd toegestaan mijn eerste stap buiten de voordeur te doen. Het leek me dat mijn hoofd plotseling langer werd, hoog reikend boven het dak van het huis, als of de hemelen naar mij reikten om me mee te nemen in de vreugde van die gedenkwaardige dag. Het mag ongelooflijk klinken, maar gedurende zeven jaar bleef ik doorgaan om allerlei soorten van lichamelijke oefeningen te gebruiken om een roboost gestel op te bouwen, zodat ik opgewassen zou zijn tegen elke barheid die van me gevraagd zou worden van beproevingen en ontberingen en verliezen in de komende jaren. Tijdens deze maanden van ziekte, dij bij iedereen overkwamen als een wonder van hersteld, definieerde ik helder mijn verbond met God om predikant te worden welke moeilijkheden ook ik het hoofd zou moeten bieden. Met dat doel voor ogen begon ik na mijn terugkeer naar de High School de studie Grieks in mijn junior jaar. Ik let mijn studie architectuur vallen die me zo heftig had aangesproken en waarvan mijn onderwijzers beweerden dat ik er

 

152

 

voortreffelijk geschikt voor was en waarvoor ik aangeboren talenten en krachten van aanpassing had. Ik had al twee jaar Latijn gehad, wat niet zo goed ging. Ik stortte me nu op mijn studies met een nieuwe geestdrift en enthousiasme. Ik had een hoog doel en realiseerde me dat ik de klassieken moest beheersen, wilde ik ooit geraken tot wat voor positie van verhevenheid en waardige dienstbaarheid dan ook. Mijn Grieks was een verrukking en ik besloot te streven naar een perfect record. Na het examen het eerste semester verbaasde mijn onderwijzeres, Mw. Parish, me door te zeggen dat ik niet alleen aan de kop stond van de klas, maar ook een perfect record van 100 procent had gehaald! Waarschijnlijk was dat een slecht iets om tegen me te zeggen. In ieder geval, haalde ik dat record nooit meer. De allereerste dag van het tweede semester maakte ik een kleine vergissing op het schoolbord van één klemtoonteken (een klemtoonteken is van het grootste belang in het Grieks). Mw. Parish vroeg onmiddellijk aan de klas, of zij enige fout in mijn werk op het schoolbord zagen! Geschrokken, haastte ik me naar het bord en smeet het klemtoonteken met krijt neer voor iemand de fout zag. Ik vermoed dat die actie van mijn kant ongepast was; in ieder geval provoceerde het de onderwijzers en werd mij gevraagd na te blijven. Ze gaf me een uitbrander in niet mis te verstande woorden; ik voelde me geketst daar ik niet de geringste bedoeling had gehad iets fouts te doen. Van toen af nam ik met een gekrenkte geest mijn plaats in de klas in en maakte ik fouten – mijn grote vastberadenheid was verdwenen. Ik veronderstel dat ik me overgaf aan de verleiding die sluimert in snel gekrenkte trots. Ik heb dit verhaal nauwkeurig verteld, want in de jaren daarna heb ik het vaak overdacht bij het beschrijven van de rol van de leerkracht. Mw. Parish was een zeer briljante

 

153

 

Vrouw, hoog opgeleid, maar genialiteit en eruditie zijn niet de enige kwaliteiten voor een goede leraar voor onze jeugd. Zij miste de warmte en het geduld en begrip, die niet alleen het hele leven verheffen en verrijken, maar die in een leraar jongeren inspireert met enthousiasme en de grootst mogelijke inspanning in het leren. De leraar is naar mijn mening de uitblinkende factor in de maatschappij buiten het huis in de ontwikkeling van echte mannen en vrouwen, niet alleen op het terrein van intellectuele prestaties, niet alleen als loketten van feitelijke kennis, maar als echte mannen en vrouwen in alles dat deze twee prachtige woorden inhouden. Ik denk graag aan wat de jonge man zei tegen de beroemde Arnold of Rugby toen de professor geïrriteerd was – ‘Ik weet dat u intelligent bent en dat ik dom ben.’ In deze woorden hoorde Arnold de kreet van de tragedie – tragedie in de fabricage van het leven, de bodem ingeslagen hoop, in versplinterd streven, in vernielde ambitie, in het falen – en Arnold of Rugby werd geduldig en bekwaam en tactvol en sterk en hulpvaardig en enthousiast – de meerster leraar, de kameraard van jongeren en de architect van karakter.”

            In het voorjaar van 1890 studeerde hij af aan de Central High School in Grand Rapids, Michigan, en diezelfde herfst werd hij ingeschreven aan de Universiteit van Michigan in Ann Arbor. Hij begreep volledig wat die stap met zich meebracht door de academische jaren, vooral financieel. Hij bracht de zomervakantie door als een teller bij de volkstelling en met de verkoop van een boek genaamd “Conversaties over de Bijbel” van dr. Pond van Bangor, Maine. Hij had veel bange voorgevoelens over het laatste, maar hij kreeg goede coaching door een

 

154

 

manager van de drukkerij. Toen de zomer voorbij was had hij slechts net voldoende geld voor één semester, maar gelukkigerwijs inspireerde een boek dat hij in handen kreeg hem tot het in ieder geval doen van een poging. Dit boek was Arthur Bonnecastle van J.G. Holland. Het beschreef voor hem het enorme verschil tussen zelfhulp en de gemakkelijke manier van betaald krijgen voor een opleiding door de familie of iemand anders. Het personage in het boek dat hem inspireerde in zijn gewichtige onderneming was Henry, niet Arthur. Zoals het boek duidelijk maakt in de vertelling van dit fantastische verhaal was Henry feitelijk de erfgenaam van een fortuin, terwijl Arthur door de kracht van de omstandigheden, en voor zover hij eerst wist, de begunstigde was van dat fortuin, hoewel ten onrechte, en spendeerde hij kwistig de edelmoedigheid van Mrs. Sanderson. Henry moest het college verlaten en wat tijd doorbrengen met het lesgeven om genoeg geld te verdienen om terug te keren naar zijn studie, terwijl Arthur geleidelijk aan zijn natuurlijke krachten uitputte en zijn tijd verspilde aan sociale plichtplegingen. Henry won de hoogste college-onderscheidingen en bekroningen en de bijval van zijn vrienden. Zijn zware worstelingen, zijn armoede, zijn ambitie om te verwerven, zijn soberheid ontwikkelde in hem de bewonderenswaardige kwaliteiten van prinselijke mannelijkheid. Terwijl het geld dat Arthur tot zijn beschikking had de rijke ontvouwing van zijn aangeboren talenten en potentiële rijkdommen teniet deed.

            Henry naar de kroon steken was zijn streven. De strijd was geen eenvoudige. Bij het einde van het eerste semester vond hij zichzelf waar Henry was geweest – zonder fondsen. Hij was niet gefrustreerd, besloot om te lenen in plaats van les te geven zoals Henry deed. Hij wilde tenminste één jaar op zijn

 

155

 

saldo en met de zomervakantie voor zich kon hij tenminste terugbetalen wat hij had geleend. Zijn plan bleek verstandig en fortuinlijk. Hij trad in dienst bij een bedrijf uit Chicago als verkoper om een cursus te introduceren ontwikkeld voor zowel lagere scholen als voor middelbare scholen en gebaseerd op het feitelijke systeem van het lesgeven. Hoewel het op termijn een nieuwe theorie bleek van geen grote of permanente waarde in het onderwijsprogramma van de middelbare school, maakte hij een groot succes in de introductie en betaalde het met rente terug alles wat hij had geleend. Dit stelde hem in staat om in het najaar terug te keren naar de Universiteit. Deze risicovolle onderneming bewees een interessant verhaal te zijn. Gedurende het restant van zijn universiteitsleven, inclusief een jaar afstudeerwerk voor een doctoraalbul, hield hij zich bezig met dit project van verkooptechniek. waarbij hij een gemiddelde van $ 200,00 per week verdiende gedurende de zomers. Het was niet alleen een groot financieel succes, maar het moet ook manieren van contact en zakelijk inzicht hebben ontwikkeld. In ieder geval mag hier vermeld worden dat, toen hij zijn universitaire studie had afgerond en besloten had om zich te laten inschrijven voor de McCormick Theologische Hogeschool, om zich voor te bereiden op het actieve geestelijke ambt zoals hij het had bedacht, stuurde Mr. Lorenz, de directeur van het bedrijf hem een telegram, dat hij hem wilde zien voordat hij die stap nam. Gedurende twee uur probeerde de directeur hem te overtuigen van de wijsheid om bij de firma te blijven en hij bood hem een salaris aan van $ 10.000,00 per jaar en een en een vakantie van een maand met alle onkosten betaald. Hoewel hij onvermurwbaar was in zijn voornemen, zei de directeur uiteindelijk – “Mr. Kroeze, u bent een voortreffelijke verkoper, maar weet u wat u zult doen? U zult uw studie aan de Theologische Hogeschool gaan volgen met

 

156

 

wat u bij ons verdiend hebt, dan zult u een kleine zendingspost in het Noordwesten aannemen tegen een hongerloontje; u gaat trouwen, krijgt kinderen en sleept ze met u mee in de hongerdood!” Hij lachte en vertelde de directeur dat hij niet een erg glanzende toekomst voor hem schilderde. Hij vertelde nog vaak dat hij nu juist dat had gedaan en een Kerk aannam voor $ 675,-- per jaar!

            Het kloosterleven op een universiteit is meestal niet erg opwindend, tenzij een persoon overdreven sociaal is aangelegd. Hij ontdekte dat het universiteitsleven voor sommigen buitengewoon schadelijk is. Hij wist behoorlijk goed wat hij wilde en stuurde een rechte koers naar dat doel, en in het algemeen naar volledige tevredenheid. Hij voelde dat hij fortuinlijk was in zijn bekendheid met de decaan van het College van vrije kunsten. Dr. D’ooge, die een vriend van de familie was. De decaan zocht hem op, nodigde hem uit in zijn huis en gaf vrijgevig van zijn vriendelijke diensten in raad en daad, spoorde hem aan om lid te worden van de Christelijke Studenten Vereniging met hoofdkantoren in Newberry Hall, en waarschijnlijk door zijn invloed verkreeg hij een plaats in het Verenigingsbestuur. Deze Vereniging was de meest stimulerende en energieke organisatie op de universiteitscampus. Hij stortte zich met hart en ziel in deze ene buitenschoolse activiteit waar hij dol op was, om Christelijke ideeën op de universiteitscampus te helpen cultiveren, en om leiding te geven aan de deelname in het werk van de Presbyteriaanse Kerk. Het was terwijl hij lid was van het bestuur van de Christelijke Studenten Vereniging dat hij kennis maakte met een andere jonge man die zijn denken beïnvloedde

 

157

 

en die de meest vooraanstaande Christelijke Staatsman ter wereld werd gedurende meer dan een halve eeuw. De Christelijke Studenten Vereniging werd een verdeelde groep en het bestuur debatteerde over wat moest worden gedaan. Ze hadden geen voorbeeld om zich naar te richten, behalve de enig andere Christelijke Studenten Vereniging in Amerika, die aan de Cornell Universiteit van Ithica, New York was. Ook daar waren echter krachten van misnoegen. Er was een radicale vleugel die zijn krachten bundelde gericht op een volledige verandering van beleid en een YMCA- en YWCA-groep. Ook in deze mogelijke reorganisatiepoging rezen er bittere theologische vragen. Het werd uiteindelijk beslist door het uitnodigen van die ene man die net tot bekendheid kwam in de Christelijke Studenten Vereniging van die tijd, Mr. John. R. Mott om het voordeel te verkrijgen van zijn advies en wijsheid. Vele beraadslagingen werden gehouden door het bestuur; ook grote openbare bijeenkomsten voor discussie om de meningen te peilen. Bij tijden zwaaiden retoriek en overtuigingen de scepter. Het is interessant om te wijzen op een passage in een brief die meer dan vijftig jaar later werd geschreven door Rechter A.G. Burr van het Hooggerechtshof van Noord Dakota, die in die tijd een rechtenstudent was op de universiteit, waarin hij verwijst naar een van deze openbare vergaderingen en zegt – “Ik herinner me een vermaarde vergadering of in ieder geval de nasleep ervan, want het was daar dat dr. Kroeze mijn aandacht trok, en ik herinner me hoe hij de vijandelijkheden voor de evangelische steunbetuiging aanwakkerdel. Er was een radicaal element dat de Christelijke Studentenvereniging zou hebben opengegooid tot een echte dispuut vereniging, en er was het middenveld van mr. A.J. Ladd en mr. Manny.” Zesenvijftig jaar later

 

158

 

was het een grote vreugde en plezier voor ons beiden om dr. John R. Mott in zijn huis in Orlando, Florida te ontmoeten, net toen hij op het punt stond te vertrekken om de laatste voorbereidingen te treffen voor de grote Oecumenische bijeenkomst van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam, Holland, en vast te stellen dat hij zich de bijeenkomsten in Ann Arbor herinnerde en wat er gedaan werd. We ontmoetten hem opnieuw bij de Wereldraad van Kerken in Amsterdam en waren er getuige van met welke gratie en kracht zijn zuivere karakter die vooraanstaande vergadering bestuurde, uiting gevend aan de glorie in harmonie, met respect voor de waarde van verschillen in de diverse geloven in de wereld. Die bijeenkomst van vertegenwoordigers van 44 naties onder zijn meesterlijke leiding markeerden een nieuw tijdperk in de opmars van het evangelische christendom, en vervolmaakte een buitengewone carrière van toewijding en dienstbaarheid voor het goede en het geluk van de mensheid.

            Het is opmerkelijk te vermelden dat, terwijl hij hard moest werken om zijn eigen weg te verdienen waarbij hij scherpzinnigheid en tijd nodig had, hij zich zelf niet isoleerde van de vele gunstige gelegenheden die een universiteitsleven veroorloofd, zowel bij het betonen van verdienstelijke bijstand en het stimuleren van de kwaliteiten van iemands hart en geest. Er was een overvloed van activiteiten die hem zowel interesseerden als ook zijn aandacht beheersten. Ik kan er enkele in het bijzonder noemen. Hij was voorzitter van het Alpha Nu Literaire Genootschap waarin hij niet alleen retorische bekwaamheid aan de dag legde, maar ook een schat aan parlementaire kennis verkreeg. Hij was de voorzitter van de Christelijke Ondernemingsmaatschappij van de First Presbyterian Church met een ledenaantal variërend van 800 tot 1000, dat respect

 

159

 

en tijd voor consultatie in planning en participatie vereist in een verscheidenheid van programma’s. Als een lid van het bestuur van de Christelijke Studentenvereniging had hij speciale taken en verantwoordelijkheden voor de missionaire activiteiten van de vereniging. Hij was de voorzitter van de City Samenwerkingsverband. Hij organiseerde het. Het was opgebouwd uit de jeugdverenigingen van de verschillende kerken en ontworpen om praktisch christelijke activiteiten en dienstbaarheid voor de onopgemerkte mensen en de verwaarloosde jeugd van de stad te wekken. Dit veld van dienstbaarheid ontwikkelde zich tot voorbij zijn dromen en veel Zondagsscholen werden opgericht en diensten voor gekleurde mensen. Hij was secretaris van de Tappan Presbyterian Association, een organisatie opgericht als een aangesloten instituut in samenwerking met de Universiteit. Het was best bedoeld om sociale voorzieningen te verschaffen onder de auspiciën van de Kerk, om methoden te plannen voor supervisie en begeleiding van studenten, en om zekere cursussen voor studiepunten aan te bieden, zoals in Patristische (van de kerkvaders) Filosofie, Kerkgeschiedenis, en Bijbelse Literatuur. Hierin gaf hij college in Oudtestamentische Literatuur en Exegese, terwijl hij studeerde voor zijn doctoraal in Hebreeuws en Helenistisch Grieks. Het Genootschap had twee uitstekende gebouwen genaamd McMillan en Sacket Halls, die ze voorzagen van collegezalen, een sportzaak, zitkamers en een bibliotheek voornamelijk samengesteld uit dr. Duffields bibliotheek in Detroit. Deze positie bracht hem in frequent contact met het hoofd van de Universiteit, dr. James B. Angel, een alleraardigste persoonlijkheid en diep betrokken bij de gewoontjes van het grote studentenkoprs en waarin zij gemeenschappelijke ideeën hadden. Hij werd zo’n

 

160

 

Goede bekende van de voorzitter dat hij hem vaak groette tijdens de lange wandeling en met hem kletste op een hoogst vertrouwelijke manier. De voorzitter betreurde de overmatige nadruk op atletiek in de universiteiten en hun vercommercialisering, terwijl niet zwaar werd getild aan de ongrijpbare krachten die onderwijs is bedoeld te ontwikkelen in het menselijk belang van het staatsburgerschap. Het schijnt geheel helder vanuit deze bijna veelvormige activiteiten en contacten die hem overstelpten, dat hij geen gevoel van ontmoediging en frustratie had over zijn toekomstige carrière en zich klaarblijkelijk volhardend en met vreugde toelegde op de taken van het zich voorbereiden.

            Door deze vele terreinen van belangstelling zou het begrijpelijk zijn dat hij zich zo nu en dan in middelpunt van de belangstelling zou bevinden op de Campus, zowel met het studentenkorps als met de faculteit. Dit bleek waar te zijn in een aantal gevallen. Zowel hij als zijn vrienden hebben vaak enkele van deze gebeurtenissen genoemd. De ene was een intense rivaliteit tussen het college van vrije kunsten en de Rechten faculteit in een debat om een universiteitsvertegenwoordiger te kiezen voor een toernooi tussen universiteiten in het Mid-westen. In zulke rivaliteiten verenigde de medische faculteit en de tandheelkundige faculteit zich altijd met het college van vrije kunsten tegen de rechten faculteit. Dit leek een traditie te zijn op de campus. In dit geval vond het uiteindelijke debat plaats in de aula van de rechtenfaculteit. Hij had de voorrondes gewonden in andere faculteiten en moest zijn krachten nu in de finale meten met de gekozen debater van de rechtenfaculteit. De juryleden waren een advocaat, een zakenman en

 

161

 

een geestelijke. De regels waren nauwkeurig bepaald. De juryleden moesten ieder afzonderlijk een geheime stem inleveren bij de presiderende functionaris. De belangstelling was intens en bij het einde van het debat gebaarde – tot de verbazing van velen en in strijd met de regels – het advocaat jurylid de andere juryleden met hem naar een aangrenzende ruimte te gaan. Toen de voorzitter terugkeerde kondigde hij aan dat mr. Linsqy twee van de drie stemmen had en de vertegenwoordiger zou zijn van de universiteit. De hel brak los. De rechtenstudenten, die de aula blokkeerden, marcheerden hun kampioen door de gangpaden en naar buiten op de campus. Toen hij verslag deed van dit incident zei hij, “ik erkende mijn nederlaag tegenover mr. Linsey met plezier en wenste hem geluk. Ik weet dat mijn vrienden teleurgesteld waren. De volgende morgen riep de geestelijke, dr. J. Mills Gelston, me naar zijn huis en vertelde me, tot mijn verbazing, wat er was voorgevallen. Hij informeerde me dat de geheime stemming mij twee stemmen had gegeven van de drie, maar dat het advocaat jurylid de zakenman overhaalde naar zijn kant in strijd met de regels. Ik vertelde dr. Gelston dat ik deze informatie waardeerde, maar dat onder deze omstandigheden het zeer onverstandig zou zijn om de feiten aan iemand te onthullen, omdat het een zeer rampzalige situatie op de campus zou teweegbrengen en er meer kwaad bloed zou vloeien tussen de twee scholen. Hij was het er mee eens en we hielden ons geheim en verbond. Echter, hoe vreemd sommige van deze teleurstellingen uiteindelijk uitpakken! Het was vele jaren later dat ik een voorwaardelijke gift verkreeg van $ 50.000,- met betrekking tot een bekostigingscampagne van de grote imperium bouwer, mr. James, J. Hill.

 

162

 

van Saint Paul. Het bleek dat mr. L. Linsey een succesvol advocaat was geworden, mr. Hill’s dochter had getrouwd en zijn secretaris was geworden. Toen ik rapporteerde over de voltooiing van de campagne en langs ging bij de kantoren van mr. Hill (die net gestorven was), bracht de klerk me naar de kantoren van executeur testamentair van de nalatenschap. Toen ik de deur binnenging stond ik oog in oog wie met mijn rivaal van jaren eerder, mr. Linsey! We waren beiden verbaasd elkaar weer te ontmoeten en ook nog zeer onverwacht. Onze begroeting was zeer vriendelijk en nadat we volledige regelingen hadden getroffen voor de betaling van deze grootse gift, vertelde ik mr. Linsey over het rapport van dr. Gelston met betrekking tot het debat; Hij stond op uit zijn stoel, sloeg me op de rug en zei, “dr. Kroeze, stellig waren wij studiegenoten op de universiteit niet alleen sportief, maar ook goede politici – het verleden kan nu niet worden gecorrigeerd!” Ik denk dat het zoete van de honing voor mij was!”.

            Terugkerend naar die nederlaag die snel werd overschaduwd door een onbetwistbare overwinning waar hij zich trots over voelde. Gedurende bijna drie jaar had hij retorica gevolgd bij de beroemde leraar, professor Trueblood, hoofd van de taal-vakgroep. De studentenvereniging van Chigago had de universiteit gevraagd een studentredenaar te sturen om een toespraak te houden ter gelegenheid van de geboortedag van Washington in een patriottische viering onder de club van de studentenvereniging. De universiteitsfaculteit selecteerde hem voor deze eer en stelde hem vrij van alle repetities en examens zodat hij tijd kon besteden aan een studie en voorbereiding van een oratie voor deze gelegenheid. Hij had de waardevolle assistentie van zowel professor Trueblood als professor Scott, hoofd van het departement

 

163

 

Engels. Hij herinnerde zich vaak dat zijn eerste concept bijna vermoord werd door professor Scott, maar onder zijn vriendelijke suggesties voltooide hij uiteindelijk datgene wat beide professoren een bewonderenswaardige oratie. Hij werd koninklijk onthaald door de Club van de Studentenvereniging en verheugde zich in dit zeldzame voorrecht om de Universiteit te vertegenwoordigen met een intens gevoel van waardering en verantwoordelijkheid.

            Deze afspraak gaf hem een aanzienlijk prestige op de Universiteitscampus, en de studenten van de Medische Faculteit en het college van vrije kunsten schoven zijn naam naar voren voor de komende verkiezingen voor het voorzitterschap van de Studentenvereniging. De oude rivaliteit met de Rechtenfaculteit bracht de rechtenstudenten ertoe, toen hen dit gevraagd werd, hun kandidaat in het strijdperk te brengen en de strijd brandde los. De rechtenstudenten waren de grote politici op de campus en opgetogen op elke denkbare wijze de plannen van de letterenstudenten, zoals de anderen werden genoemd, te overtreffen en te belemmeren. De campagne stond in het midden van de belangstelling; de campus wemelde van vurige disputen en politieke twisten. Op het kritieke moment van de verkiezing werd een onvergeeflijke strategie door de rechtenstudenten aangewend. Het was helder voor hen dat de lettereren- en medische studenten overheersten en dat hun kandidaat zou worden verkozen, dus een vertragingstactiek werd ingezet om enkele rechtenstudenten de tijd te geven om hun vrienden in de straten en kamers wakker te schudden. Een nederlaag was voor hen onduldbaar, want wie kon een debatvergadering voorzitten anders dan hun kandidaat die bedreven was in parlementaire gebruiken en wetten! Wie anders begreep de technieken van het debatteren? Welke waarde hebben Grieks en

 

164

 

 

Latijn en Wiskunde in de grote problemen op de Universiteits Campus voor het welzijn van het studentenkorps. Regels van orde werden aangehaald om de situatie te verwarren en te voorkomen dat enig resultaat van een stemming zou worden aangekondigd. De hele tijd stroomden de rechtenstudenten als ratten de hal binnen vanuit hun kamers en blokkeerden de aula. Ze schreeuwden om een heroverweging van de stemming die al was gehouden maar waarvan het resultaat nog niet was aangekondigd. De hele verkiezing was een schijnvertoning – een soort van stadswijk politiek, maar het maakte niet uit hoeveel de Letteren- en Medische Studenten bedrog riepen, de verkiezingen waren voorbij en de rechtenstudente zat in het zadel. Het is interessant om vast te leggen dat een eminente geest in de manoeuvres en die de vertragingstactiek leidde, terwijl zijn kameraden de straten schoonveegde voor rekruten, een student uit Noord Dakota was met de naam John Knauf. Hij was een verrukkelijke persoonlijkheid met een groot gevoel voor humor. In de jaren daarna werd hij opnieuw ontmoet in zijn rechtenpraktijk in Jamestown. Toen het college werd georganiseerd in 1909 werd hij verkozen als secretaris van de Raad van Bestuur van het College, en de president, die de letterenkandidaat was geweest voor het voorzitterschap van Universiteit’s Studentenbond, had het verrukkelijke genoegen om hem uitvoerig te vertellen over zijn manoeuvres destijds in Ann Arbor, tot groot genoegen van beiden. De twee werden hechte vrienden en de secretaris was een zeer efficiënte functionaris en een genie in het heropenen van ons instituut. Hoe klein de wereld uiteindelijk is en hoe zeer mannen bekwaamheid en competentie en vriendschap waarderen!

            Hij studeerde af aan de universiteit in 1894 met de graad

 

165

 

van Bachelor of Arts. Grotendeels vanwege zijn ongewone succes in financiën tijdens vakanties, besloot hij om nog een jaar terug te keren om te studeren voor een masteropleiding in Hebreeuws en Hellenistisch Grieks. Het was met name in dat jaar, als secretaris van de Tappan Presbyterian Association, dat hij zich op een grote manier bezighield met het organiseren van de christelijke strijdkrachten voor effectief werk onder de studenten op de universiteitscampus. Die vereniging was de pionier in Amerika van wat later bekend werd onder de verschillende Denominaties als Student University Work. Dr. French volgde hem op dit belangrijke gebied van studentenpastor en verlengde de taken tot fulltime dienstverband. Het gevoel in het land in die tijd tussen de kerken was niet erg attent - zelfs niet genadig en tolerant. De Presbyteriaanse studenten op de Univerity-campus overtroffen in aantal die op de universiteit van Princeton, maar toch leken de kerken volkomen onverschillig voor hun religieuze behoeften. Dit bleek vrij duidelijk op de bijeenkomst van Michigan Synod in het rapport van de voorzitter van de Synode-commissie. De voorzitter verklaarde in de loop van zijn verslag met een dramatisch gebaar: "Ik zou liever een dolk in mijn boezem duwen dan mijn twee jongens naar de universiteit te sturen, die goddeloze instelling!" In het verslag van het werk van de Tappan Presbyterian Association werd eenvoudig gerefereerd aan de ongegronde verklaring van de voorzitter met de opmerking: "Als de positie van de voorzitter waar of juist is, waar kan de kerk dan een groter zendingsveld voor de kerk bezetten? Moeten deze studenten, terwijl

 

167

 

ze hun geest toepassen op de wetenschappen en literatuur en beroepen, de mogelijkheden voor spirituele cultuur worden ontzegd?" Het antwoord was duidelijk en vanzelfsprekend. Het is een geluk dat de verschillende Denominaties zich ten slotte bewust werden van deze grote behoefte en probeerden in hun christelijke programma Student Pastors op de universitaire campussen door heel de Verenigde Staten te integreren. Een van de vroegste, zo niet de vroegste, in deze belangrijke taak te zijn geweest, heeft hem in de loop van de jaren een zekere bevrediging gegeven. Hij was echter van mening dat hij, als hij ervoor zou kiezen om door te gaan met het geven van educatieve diensten voor de kerk, hij er de voorkeur aan zou geven om in een college te zijn waar de Bijbel werd onderwezen en die beslist de hoeksteen was in de boog van de onderwijsprocedure.

 

 

 

Wordt vervolgd……

 

 

 

 



[i] Uit; Geschiedenis van Kampen deel 2 “zij zijn Kampers”; blz. 127; © IJsselacademie Kampen 2001; ISBN 90-6697-130-4

opnieuw ontmoet in zijn rechtenpraktijk in Jamestown. Toen het college werd georganiseerd in 1909 werd hij verkozen als secretaris van de Raad van Bestuur van het College, en de president, die de letterenkandidaat was geweest voor het voorzitterschap van Universiteit’s Studentenbond, had het verrukkelijke genoegen om hem uitvoerig te vertellen over zijn manoeuvres destijds in Ann Arbor, tot groot genoegen van beiden. De twee werden hechte vrienden en de secretaris was een zeer efficiënte functionaris en een genie in het heropenen van ons instituut. Hoe klein de wereld uiteindelijk is en hoe zeer mannen bekwaamheid en competentie en vriendschap waarderen!

              Hij studeerde af aan de universiteit in 1894 met de graad

 

165

 

Wordt vervolgd……

 

 

 

 



[i] Uit; Geschiedenis van Kampen deel 2 “zij zijn Kampers”; blz. 127; © IJsselacademie Kampen 2001; ISBN 90-6697-130-4