De Kroniek van KPN Arbo

 

 

Ik heb geruime tijd gewerkt bij KPN Arbo de Arbodienst van het voormalige KPN. Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van deze dienst heb ik in 1996 onderstaand artikel in het personeelsblad geschreven. Het bevat n.m.m. wel wat aardige informatie over de geschiedenis van de Arbodienstverlening. Als aanvulling op dit artikel wil ik nog opmerken dat KPN Arbo in april 1998 werd overgenomen door ArboNed om van daaruit de dienstverlening aan KPN voort te zetten. Ter gelegenheid van de opheffing van KPN Arbo werd een CD uitgebracht met daarop enkele nummers. Kijk hiervoor op de pagina: Gegevens Bart Kroeze: http://www.bart-kroeze.nl/

DE PEUTER DIE VIJFTIG WORDT ..........

of de kroniek van KPN Arbo.     

Hoewel ik van nature het liefst vooruit kijk, zijn er toch van die momenten waarop het goed is om eens even stil te staan en terug te kijken. Tegen scholieren die weinig interesse hadden voor het vak geschiedenis werd door een wijs docent ooit eens gezegd: "Als je niet weet waar je vandaan komt, dan heb je ook geen idee waar je heen gaat". Deze wijze woorden maakten mij tot een liefhebber van geschiedenis. Niet om te mijmeren over of te verzanden in alles wat is geweest, maar door lering trekkend uit het verleden een open oog voor de toekomst te hebben. Wellicht kunnen we nog altijd leren van de fouten die in het verleden zijn gemaakt. We hebben immers niet genoeg tijd om ze allemaal zelf nog eens te maken. Maar ook kunnen we wellicht nog leren van goede dingen uit het verleden. Weemoedig terugkijken naar het verleden waarin alles beter was, is wellicht net zo kortzichtig als het verleden ongenuanceerd veroordelen. Vanuit dit gezichtspunt heb ik wat gegraven in oude vergeelde gegevens. Ik pretendeer absoluut niet volledig te zijn, maar wil wel proberen in vogelvlucht een beeld te schetsen van de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van wat we nu toch met enige trots KPN Arbo mogen noemen.

 

Bart Kroeze

 

KPN Arbo - onlangs gecertificeerd - is pas een jaar oud, terwijl we toch ook mogen terugblikken op een ruime ervaring. Vijftig jaar geleden – op 1 april 1946 - werd door de toenmalige directeur-generaal dr. L. Neher bij het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie de "Afdeeling Geneeskundige Zorg" ingesteld. Als chef van deze afdeling werd benoemd dr. A.H.J. van de Kamp.

De negentiende eeuw:

De instelling van deze afdeling "Geneeskundige Zorg" was echter zeker niet het begin van de bemoeienis van de medische stand met het Staatsbedrijf. In 1863 werd namelijk voor het Telegraafkantoor te Amsterdam al een controlerend geneesheer benoemd. In 1873 schreef de controlerend geneesheer van het Telegraafkantoor te Rotterdam een uitvoerig jaarverslag, waarin hij van alle personeelsleden niet alleen de ziekteperioden vermeldde, maar ook de ziekte-oorzaken. Van privacyaspecten had men in die tijd blijkbaar nog geen kaas gegeten. De aandacht ging in die tijd voornamelijk uit naar het terugdringen van het ziekteverzuim. Dat is ons heden ten dage zeker niet onbekend. Toch was deze controlerend geneesheer best vooruitstrevend als het ging om verbetering van de arbeidsomstandigheden. In het jaarverslag valt te lezen:

 

‘Er bestaan gebreken in de seinzaal, de lucht kon beter  wezen; in alle bureaux, waar veel beambten werkzaam zijn, zal de lucht niet altoos frisch zijn; dit vindt men trouwens op alle grootere kantoren en voor het telegraafkantoor belooft de toekomst belangrijke verbetering

 

In die tijd ontstond ook de behoefte aan medische keuringen voor indiensttreding. Een passage uit het jaarverslag maakt dit duidelijk:

 

“Een strenger geneeskundig toezigt bij de opneming van ambtenaren in het kader is wenschelijk. Ik ontmoette bij de bezoeken, ambtenaren, die vroeger onderwijzer waren, doch dit vak verlieten wegens de vermoeyenissen, welke zij ondervonden voor hunne ademhalingswegen en die aan bloedspuwing leden. Deze heeren bleken opnieuw zwakke vaten te zijn en kregen, na goed de vermoeyenis van het nieuwe vak ondervonden te hebben, hunne vorige ziekte: bloedspuwing of tering terug; ofwel hunne zwakke constitutie openbaarde zich in ander lijden der ademhalingswegen.

Het begin van de twintigste eeuw:

Controle tijdens ziekte was in die tijd niet eenvoudig. Er was toen overigens al sprake van een eerstedags-controle. Ook toen al woonden de werknemers vaak buiten de stad. De wegen waren voor het dokterskoetsje vaak onbegaanbaar. Dit was vaak een excuus voor de controlerend geneesheer om de controle niet te verrichten. In 1904 nam men een proef met een zogenaamd premiestelsel. Hieraan kleefden echter nogal wat nadelen. Het simuleren werd bestreden door het in de hand werken van het dissimuleren. Gezonden werden voor hun “gezond-zijn|  beloond. Valt hier niet een parallel te trekken naar de arbeidsvoorwaardelijke prikkels van deze tijd? Kort na 1918 keerde men terug naar het systeem van de controlerend geneesheer.

Tussen de eerste en de tweede wereldoorlog deed de gedachte dat aandacht moest worden besteed aan preventie opgang. Men was van mening dat men in bedrijven te doen had met min of meer besloten bevolkingsgroepen, die met preventief-geneeskundige maatregelen het gemakkelijkst te bereiken waren en waarvan de onderzoeks-resultaten ook het gemakkelijkst waren vast te leggen.

In 1935 werden plannen gemaakt om bij het staatsbedrijf te starten met een periodiek Röntgenologisch tbc-onderzoek van de personeelsleden. In 1939 had de eerste bedrijfsdoorlichting plaats.

1946 - 1965:

In 1946 werd zoals gezegd de afdeling "Geneeskundige Zorg opgericht. Bij de oprichting van deze afdeling beschikte Dr. Van de Kamp over slechts één bedrijfsarts. Uitbreiding volgde overigens spoedig. Een bedrijfsarts uit die beginjaren schreef:

 

“Veel gesproken werd over de problemen die zich voordeden in een groot bedrijf kort na de oorlog. Tegen de mentaliteit van velen, vooral bij het hoofdbestuur, moesten we vechten. Men was immers in de bezettingsjaren er aan gewend geraakt, zo weinig mogelijk te doen. Tot die lieden was het nog niet doorgedrongen, dat de bezetting voorbij was en er aangepakt moest worden.”

 

Een selectie uit de omschrijving van de werkzaamheden in vergelijking met ons huidige takenpakket is misschien wel aardig:

 

*  Toezicht op en het bevorderen van den algemeenen gezondheidstoestand van het personeel en doelmatige bestrijding van bepaalde ziekteverschijnselen;

*   Algemeen medisch toezicht op de bedrijfssport, bedrijfshygiëne, inrichting van de werkruimten, E.H.B.O., enz.;

*   Verleenen van medewerking bij het ontwerpen van sociale maatregelen;

*   Algemeene organisatie van medische keuringen, herkeuringen, revisiekeuringen en het aan deze keuringen te geven administratieve gevolg;

*   Ziektecontrôle, toezicht op de ziektestatistieken;

*   Algemeene periodieke doorlichting van het personeel;

 

De afdeling Geneeskundige Zorg was eerst gevestigd aan de Kortenaerkade in Den Haag. Later werd de afdeling gevestigd aan de Parkweg 10 te Scheveningen. De bedrijfsarts Van Duyn die in 1949 in dienst trad en geen huisvesting in Den Haag kon vinden voor zijn gezin, mocht gedurende drie jaar in dit pand inwonen. Wanneer de herkeuringscommissie zitting had was uiterste stilte geboden. Dat dit niet mee viel voor een gezin met zes kinderen valt te begrijpen. Later verhuisde de afdeling naar de Zeestraat in Den Haag. De afdeling kreeg langzamerhand vestigingen verspreid over het land. In de beginperiode moesten de "doktoren" soms drie provincies "bedienen".

Hoewel we onlangs het certificaat behaalden is het aardig om even terug te keren naar 26 januari 1955 toen de Nederlandse Vereniging van Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde het volgende verklaarde:

 

“Intussen zou de commissie die gemeend heeft, dat uw bedrijfsgeneeskundige dienst aan alle te stellen eisen voldoet

 

De inzichten lijken soms niet erg gewijzigd. Dr. Van de Kamp schreef in 1957 al:

 

“Hierbij wordt uitgegaan van de overtuiging, dat de instelling van een Bedrijfsgeneeskundige Dienst slechts zin heeft wanneer het bedrijf de bereidheid bezit om de consequenties welke daaruit voortvloeien, te aanvaarden en het bedrijfsbeleid mede hiernaar te richten. Daarbij moet evenwel worden bedacht, dat noch de leiding van een bedrijf noch de werknemers ermede gebaat zijn indien door een bedrijfsarts adviezen zouden worden verstrekt, die niet zouden zijn getoetst aan de praktische uitvoerbaarheid in de gegeven omstandigheden.

 

Ook schreef hij:

 

“Primair van belang is het lichamelijk en geestelijk welzijn van de werker in het bedrijf. Van mensen die geen levens- en arbeidsvreugde kennen, kan men bezwaarlijk een goede arbeidsprestatie verwachten en het welbevinden van het bedrijf hangt dan ook in hoge mate af van het algemeen welzijn van de werknemers. Men spreekt thans bij voorkeur van een werkgemeenschap waar de bedrijfsleider geen "ondergeschikten" heeft, doch "medewerkers", wier prestaties hij waardeert, voor wier persoon hij belangstelling heeft, wier kapaciteiten hij tot ontplooiing doet komen en voor wier welzijn hij zorg draagt.

 

In 1957 was de Bedrijfsgeneeskundige Dienst uitgegroeid tot een organisatie bestaande uit 23 full-time bedrijfsartsen, twee assistent-bedrijfsartsen, 27 bedrijfszusters en een eigen administratief apparaat. De bedrijfsartsen hadden in die tijd een populatie van 3000 personeelsleden in de grote steden en 2000 in de plattelands-rayons. Een opvallende naam van een bedrijfsarts die ik in het jaar 1955 tegenkwam is A.T. van Duinen, terwijl ook de naam Sirag (1954) binnen onze dienst geen onbekende is.

Het jaarlijkse Röntgencamera-onderzoek op longtuberculose, waaraan alle personeelsleden werden onderworpen en waaraan de huisgenoten kosteloos konden deelnemen, werd uitgebreid met de organisatie van het periodiek preventieve bedrijfsgeneeskundige onderzoek. In de beginfase van dit onderzoek (1955) gaven zich ruim 38.000 werknemers van het totale personeelsbestand van 58.000 werknemers, hiervoor spontaan op.

Periodieke verplichte chauffeurskeuringen werden verricht, alsmede onderzoek naar groepen werknemers die met stoffen als lood en trichloorethyleen omgingen.

 

Dr. Van de Kamp was in 1957 van mening dat grijs en zwart verzuim  slechts sporadisch voorkwam. Hij realiseerde zich daarbij wel dat van de ziektecontrole een preventief effect uitging. Over de enkeling die werkelijk de kantjes eraf liep had hij een duidelijke mening:

 

“Wel, hij vormt het kaf onder het koren en vraagt om een streng toezicht. Deze negativisten zijn spoedig bekend en krijgen waar ze door hun instelling en gedrag om vragen. Het laat zich begrijpen, dat het noodwendige strenge toezicht op dezulken de vertrouwenspositie van de bedrijfsarts niet kan schaden. Elke weldenkende ziet in, dat het hier geen "medewerker" in de werkgemeenschap, doch een "tegenwerker" betreft die, wanneer hij niet voor korrektie vatbaar mocht blijken, als het ware zich zelf elimineert

 

In die tijd werd ook aan minder-validen al aandacht geschonken. Wanneer werknemers als gevolg van ziekte, ongevalsletsel of als gevolg van een met de leeftijd samenhangend slijtageproces niet meer in staat waren hun eigen werk te verrichten, werd op advies van de bedrijfsarts gezocht naar passend ander werk.

1965 - 1996:

In december 1965 schreef de opvolgster van dr. Van de Kamp in het artikel "Honderd jaar is als één dag" het volgende:

 

“Voortaan zou de belangstelling voor de zieke werker een onderdeel zijn van de veelzijdige taak van de bedrijfsarts, die zich voornamelijk beweegt op het gebied van de preventieve geneeskunde, waarbij de arbeidende mens in het middelpunt staat en de hygiënische en andere omstandigheden het centrum vormen. In tegenstelling tot de controlerend geneesheer, die naast zijn huisartsenpractijk ziekte-controles verricht, is de bedrijfsarts een medicus, die zich in het team van het bedrijfsbeleid geheel kan wijden aan de zorg voor de gezondheid van de arbeidende mens in ons bedrijf, waarmee hij het bedrijfsbelang in brede zin dient. De "dag" die 100 jaar omspant, heeft een middaghoogte vol stralend licht. Dit licht bracht wasdom op het bedrijfsgeneeskundige veld. We weten, dat het einde van de eerste lange dag, tevens het begin zal zijn van een nieuwe dag. Een dag vol beloften voor de toekomst, die we met vertrouwen tegemoet gaan, wetend dat de "bodem reeds bereid is" en beseffend dat er nog meer terrein is dat op ontginning wacht.

 

Bij beschikking van de directeur-generaal van 28 juni 1966 werd de afdeling "Geneeskundige Zorg" omgevormd tot "Bedrijfsgeneeskundige Dienst". Deze dienst kreeg een hoofd dat werd ondersteund door twee adjunct-hoofden, terwijl het hoofd rechtstreeks leiding gaf een totaal van 125 medewerkers: aan de bedrijfsartsen, de afdeling research en de administratieve dienst. Deze bestond uit:

 

*  bureel a:    Keurings-, herkeurings- ziekteadministratie, classificatie en documentatie, Registratuur en Archief

*  bureel b:    EHBO- en EHIO-organisatie, ongevallenpreventie, materiaal- en literatuurvoorziening

*  bureel c:    Redactie-secretariaat, medisch-juridische en verzekeringstechnische aangelegenheden

*  bureel d:    Medische statistiek, budgettering, comptabele en personeelszaken.

 

Deze Bedrijfsgeneeskundige Dienst verhuisde van de Zeestraat naar de Zoutmanstraat.

Directeuren sinds de oprichting:

1. A.H.J. van de Kamp

2. P.G.M. Schrama

3. Tj. de Boorder

4. H.J.B. Hoek

5. Tj. de Boorder

6. H. Stremmelaar

7. G. Heuvelman.  

 

In 1974 bleek de organisatie al weer veranderd te zijn. De afdeling research was omgedoopt tot "Medische Stafafdelingen". Deze bestonden uit:

 

*  Arbeids- en zintuigfysiologie en ergonomie;

*  Longfunctieonderzoek en revalidatie;

*  Interne geneeskunde;

*  Röntgenologisch borstonderzoek.

 

Daarnaast was de afdeling "screening" ontstaan. De administratie bestond inmiddels uit vijf burelen. In 1979 bleek al weer een organisatieverandering te zijn doorgevoerd. De administratieve stafafdelingen waren inmiddels teruggebracht tot drie burelen te weten:

 

*  Medische informatica (o.l.v.  Houben en later Mulder);

*  Algemene Zaken (o.l.v. V.d Geer);

*  Medisch-juridische Zaken (o.l.v. Janssen en later Kroeze)

 

Het organisatieschema in 1984 zag er al weer geheel anders uit. Na verloop van tijd was een nieuwe naam nodig. Gekozen werd voor Bedrijfsgezondheidsdienst. Ook de organisatie veranderde weer enigszins. Een beleidsadviseur en een medisch-juridisch adviseur (Janssen en later Kroeze) werden toegevoegd en er ontstond een directiesecretariaat. Ook deed de afdeling Gezondheidsvoorlichting en training haar intrede.

 

Bij het symposium ter gelegenheid van de viering van het veertigjarig bestaan in 1986 hield de toenmalig staatssecretaris mw. Smit-Kroes een toespraak. Zij schetste in haar toespraak de belangrijke taak die voor de BGD in de komende jaren was weggelegd. De taak om te voorkomen dat mensen bekneld zouden raken in veranderingen. De taak om ze te begeleiden, waar nodig, naar een nieuwe, geschikte arbeidsplaats. Verder gaf zij als haar mening dat een 40-jarige wijsheid en ervaring in de rugzak heeft, maar daarnaast open dient te staan voor en te anticiperen op vernieuwingen.

 

Tijdens dit symposium traden verder nog als sprekers op prof. De Boorder, prof. Van Londen, Mw. drs.  Meulenbeld, drs. De Groot, Mw. Stouthart, drs. V.d. Meulen en Ir. Wit.

 

Jaren met allerlei turbulente verwikkelingen zoals een reorganisatie a.g.v. het advies van het Bureau Twijnstra Gudde volgden. Dit advies betekende dat de organisatiestructuur van de dienst weer moest veranderen. Voordien werd de totale uitvoerende dienst aangestuurd door de directeur BGD. In verband met de veel te grote “span of control” werd besloten over te gaan tot de vorming van acht regio's aangestuurd door regiomanagers. Naast de directeur Medische Zaken deed de directeur Beheer in de persoon van Piet Feskens zijn intrede. In plaats van twee adjunct-hoofden, werden drie afdelingshoofden benoemd, die leiding gaven aan de afdelingen Sociaal-Medische Zaken (F.J. Leenders), Arbeidsomstandigheden (P.J.M. Erich) en Algemene Zaken (W.M. Been). Allerlei andere verwikkelingen sinds die tijd zullen velen zich nog herinneren.

     

In juni 1991 werd de centrale vestiging van onze dienst verplaatst naar Groningen. Voor het eerst sinds de oprichting kreeg de dienst ook te maken met een niet-medicus als directeur. Sinds 1 maart 1995 hebben we als naam KPN Arbo en ook nu zitten we nog midden in de gevolgen van een reorganisatie.

Het heden:

Nu naderen we dan het moment waarop we ons vijftigjarig bestaan mogen combineren met onze eerste verjaardag. Er zullen niet veel Arbo-diensten zijn die ons dit kunnen nadoen. Zware woorden als "de dag die 100 jaar omspant" lijken me in de huidige tijd niet op hun plaats. Vijftig jaar vooruitblikken is niet alleen onmogelijk; het is ook niet realistisch. KPN Arbo in de huidige markt zal zich moeten richten op de nabije toekomst. Een moment van bezinning is naar mijn mening in ieder geval wel op zijn plaats. We moeten ons realiseren dat we een geschiedenis met ons mee dragen. Laten we eens goed bekijken waar we vandaan komen om van daaruit vast te stellen waar we heen moeten gaan.     

 

KPN Arbo      21 februari 1996